Naar de inhoud

deuken

een deuk of deuken maken in iets

deuken is meer dan één woord

deuken

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. een deuk of deuken maken in iets

Vervoeging van deuken

deukenhele werkwoord — deukteverleden tijd enkelvoud — deuktenverleden tijd meervoud — gedeuktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik deuk deukte
jij deukt deukte
hij, zij, het deukt deukte
wij deuken deukten
jullie deuken deukten
zij deuken deukten
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gedeukt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gedeukt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
deuk gebiedende wijs
deuke aanvoegende wijs
deukend onvoltooid, deelwoord
deukte verleden tijd
er is gedeukt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gedeukt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gedeukt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gedeukt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gedeukt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gedeukt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gedeukt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gedeukt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gedeukt verleden tijd, deelwoord
gedeukt te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gedeukt te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gedeukt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gedeukt te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gedeukt te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gedeukt worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gedeukt zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gedeukt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gedeukt zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gedeukt zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gedeukt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gedeukt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gedeukt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gedeukt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gedeukt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gedeukt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gedeukt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gedeukt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gedeukt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gedeukt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gedeukt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gedeukt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gedeukt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gedeukt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gedeukt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gedeukt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gedeukt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te deuken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gedeukt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen deuken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gedeukt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gedeukt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gedeukt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gedeukt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gedeukt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gedeukt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gedeukt voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gedeukt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gedeukt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gedeukt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gedeukt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gedeukt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gedeukt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gedeukt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gedeukt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gedeukt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gedeukt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gedeukt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gedeukt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gedeukt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal deuken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal deuken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal deuken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gedeukt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gedeukt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gedeukt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gedeukt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gedeukt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gedeukt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gedeukt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn gedeukt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gedeukt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gedeukt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gedeukt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou deuken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou deuken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou deuken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gedeukt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gedeukt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gedeukt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gedeukt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gedeukt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gedeukt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gedeukt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gedeukt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gedeukt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden deuken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden deuken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden deuken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gedeukt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gedeukt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gedeukt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gedeukt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gedeukt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gedeukt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gedeukt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gedeukt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gedeukt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt deuken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gedeukt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gedeukt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gedeukt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen deuken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen deuken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen deuken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen deuken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gedeukt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gedeukt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gedeukt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gedeukt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gedeukt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gedeukt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gedeukt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gedeukt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gedeukt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult deuken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gedeukt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gedeukt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gedeukt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord deuk

Herkomst

In de betekenis van ‘een buts maken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1772

Woordfamilie van deuken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
deuke aanvoegende wijs deuken
deukend onvoltooid deelwoord deuken
deukende woordvorm deuken
deukt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon deuken
deukte verleden tijd deuken
deukten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon deuken
gedeukt voltooid deelwoord deuken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van deuken zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over deuken

Wat betekent deuken?
Deuken is een werkwoord. Het woord betekent: een deuk of deuken maken in iets.
Hoe vervoeg je deuken?
Je vervoegt deuken als volgt: de tegenwoordige tijd is deuk, de verleden tijd is deukte en het voltooid deelwoord is gedeukt. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord deuken is 12 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. D 2
  2. E 1
  3. U 4
  4. K 3
  5. E 1
  6. N 1
  7. 12 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

deuken levert met Wordfeud minimaal 10 en maximaal 48 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. D 2
  2. E 1
  3. U 2
  4. K 3
  5. E 1
  6. N 1
  7. 10 zonder bonus
  8. 48 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (K) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

deuken telt 6 letters, waarvan 5 verschillende, want één letter komt er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 13.213 woorden van 6 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

deuken in het kort

deuken is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Van deuken zijn 75 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort deuken bij een woordfamilie van 7 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

deuken: een deuk of deuken maken in iets
Deel deuken — standaardnederlands.nl