detoneren
werkwoordBetekenis
- misstaan, uit de toon vallen, vals spelen (
werkwoord
- tot ontploffing brengen ergative
- misstaan, uit de toon vallen, vals spelen ()
- : het plotseling veranderen van de tonaliteit van een muziekstuk zonder dat er enig verband wordt aangebracht in de gebruikte akkoorden vóór en na de overgang
Vervoeging van detoneren
detonerenhele werkwoord — detoneerdeverleden tijd enkelvoud — detoneerdenverleden tijd meervoud — gedetoneerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | detoneer | detoneerde |
| jij | detoneert | detoneerde |
| hij, zij, het | detoneert | detoneerde |
| wij | detoneren | detoneerden |
| jullie | detoneren | detoneerden |
| zij | detoneren | detoneerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| detoneer | gebiedende wijs |
| detoneerde | verleden tijd |
| detonere | aanvoegende wijs |
| detonerend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedetoneerd | verleden tijd, deelwoord |
| gedetoneerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedetoneerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gedetoneerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gedetoneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gedetoneerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gedetoneerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gedetoneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gedetoneerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gedetoneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gedetoneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedetoneerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gedetoneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedetoneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gedetoneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gedetoneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedetoneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedetoneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te detoneren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gedetoneerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen detoneren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal detoneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal detoneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal detoneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedetoneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedetoneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedetoneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou detoneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou detoneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou detoneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedetoneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedetoneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedetoneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden detoneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden detoneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden detoneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedetoneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedetoneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedetoneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt detoneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedetoneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen detoneren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen detoneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen detoneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen detoneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedetoneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedetoneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedetoneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult detoneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedetoneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘ontploffen’ voor het eerst aangetroffen in 1793
Woordfamilie van detoneren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| detoneer | gebiedende wijs | detoneren |
| detoneerde | verleden tijd | detoneren |
| detoneerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | detoneren |
| detoneert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | detoneren |
| detonere | aanvoegende wijs | detoneren |
| detonerend | onvoltooid deelwoord | detoneren |
| detonerende | woordvorm | detoneren |
| gedetoneerd | voltooid deelwoord | detoneren |
| gedetoneerde | woordvorm | detoneren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van detoneren zijn vastgelegd.