dereguleren
werkwoordBetekenis
- ingewikkelde regels en procedures van overheidswege vereenvoudigen of schrappen
Vervoeging van dereguleren
deregulerenhele werkwoord — dereguleerdeverleden tijd enkelvoud — dereguleerdenverleden tijd meervoud — gedereguleerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | dereguleer | dereguleerde |
| jij | dereguleert | dereguleerde |
| hij, zij, het | dereguleert | dereguleerde |
| wij | dereguleren | dereguleerden |
| jullie | dereguleren | dereguleerden |
| zij | dereguleren | dereguleerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| dereguleer | gebiedende wijs |
| dereguleerde | verleden tijd |
| deregulere | aanvoegende wijs |
| deregulerend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedereguleerd | verleden tijd, deelwoord |
| gedereguleerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedereguleerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gedereguleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gedereguleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gedereguleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gedereguleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gedereguleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gedereguleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gedereguleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gedereguleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedereguleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gedereguleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedereguleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gedereguleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gedereguleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedereguleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedereguleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te dereguleren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gedereguleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen dereguleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal dereguleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal dereguleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal dereguleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedereguleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedereguleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedereguleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou dereguleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou dereguleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou dereguleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedereguleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedereguleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedereguleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden dereguleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden dereguleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden dereguleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedereguleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedereguleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedereguleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt dereguleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedereguleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen dereguleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen dereguleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen dereguleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen dereguleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedereguleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedereguleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedereguleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult dereguleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedereguleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘overheidsbemoeienis terugbrengen’ voor het eerst aangetroffen in 1984
Woordfamilie van dereguleren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dereguleer | gebiedende wijs | dereguleren |
| dereguleerde | verleden tijd | dereguleren |
| dereguleerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | dereguleren |
| dereguleert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | dereguleren |
| deregulere | aanvoegende wijs | dereguleren |
| deregulerend | onvoltooid deelwoord | dereguleren |
| deregulerende | woordvorm | dereguleren |
| gedereguleerd | voltooid deelwoord | dereguleren |
| gedereguleerde | woordvorm | dereguleren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dereguleren zijn vastgelegd.