defibrilleren
werkwoordBetekenis
- (iemand) met een defibrillator behandelen
werkwoord
- met een defibrillator behandelen transitive
Vervoeging van defibrilleren
defibrillerenhele werkwoord — defibrilleerdeverleden tijd enkelvoud — defibrilleerdenverleden tijd meervoud — gedefibrilleerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | defibrilleer | defibrilleerde |
| jij | defibrilleert | defibrilleerde |
| hij, zij, het | defibrilleert | defibrilleerde |
| wij | defibrilleren | defibrilleerden |
| jullie | defibrilleren | defibrilleerden |
| zij | defibrilleren | defibrilleerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| defibrilleer | gebiedende wijs |
| defibrilleerde | verleden tijd |
| defibrillere | aanvoegende wijs |
| defibrillerend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gedefibrilleerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gedefibrilleerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gedefibrilleerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gedefibrilleerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gedefibrilleerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gedefibrilleerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gedefibrilleerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gedefibrilleerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedefibrilleerd | verleden tijd, deelwoord |
| gedefibrilleerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedefibrilleerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gedefibrilleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gedefibrilleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gedefibrilleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gedefibrilleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gedefibrilleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gedefibrilleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gedefibrilleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gedefibrilleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedefibrilleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gedefibrilleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedefibrilleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gedefibrilleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gedefibrilleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedefibrilleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedefibrilleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te defibrilleren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gedefibrilleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen defibrilleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal defibrilleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal defibrilleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal defibrilleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedefibrilleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedefibrilleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedefibrilleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou defibrilleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou defibrilleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou defibrilleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedefibrilleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedefibrilleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedefibrilleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden defibrilleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden defibrilleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden defibrilleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedefibrilleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedefibrilleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedefibrilleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt defibrilleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedefibrilleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen defibrilleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen defibrilleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen defibrilleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen defibrilleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedefibrilleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedefibrilleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedefibrilleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult defibrilleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedefibrilleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van fibrilleren met het voorvoegsel de-
Woordfamilie van defibrilleren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| defibrilleer | gebiedende wijs | defibrilleren |
| defibrilleerde | verleden tijd | defibrilleren |
| defibrilleerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | defibrilleren |
| defibrilleert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | defibrilleren |
| defibrillere | aanvoegende wijs | defibrilleren |
| defibrillerend | onvoltooid deelwoord | defibrilleren |
| defibrillerende | woordvorm | defibrilleren |
| gedefibrilleerd | voltooid deelwoord | defibrilleren |
| gedefibrilleerde | woordvorm | defibrilleren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van defibrilleren zijn vastgelegd.