Naar de inhoud

defibrilleren

(iemand) met een defibrillator behandelen

defibrilleren

werkwoord

Betekenis

  1. (iemand) met een defibrillator behandelen

werkwoord

  1. met een defibrillator behandelen transitive

Vervoeging van defibrilleren

defibrillerenhele werkwoord — defibrilleerdeverleden tijd enkelvoud — defibrilleerdenverleden tijd meervoud — gedefibrilleerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik defibrilleer defibrilleerde
jij defibrilleert defibrilleerde
hij, zij, het defibrilleert defibrilleerde
wij defibrilleren defibrilleerden
jullie defibrilleren defibrilleerden
zij defibrilleren defibrilleerden
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
defibrilleer gebiedende wijs
defibrilleerde verleden tijd
defibrillere aanvoegende wijs
defibrillerend onvoltooid, deelwoord
er is gedefibrilleerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gedefibrilleerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gedefibrilleerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gedefibrilleerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gedefibrilleerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gedefibrilleerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gedefibrilleerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gedefibrilleerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gedefibrilleerd verleden tijd, deelwoord
gedefibrilleerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gedefibrilleerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gedefibrilleerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gedefibrilleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gedefibrilleerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gedefibrilleerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gedefibrilleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gedefibrilleerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gedefibrilleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gedefibrilleerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gedefibrilleerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gedefibrilleerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gedefibrilleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gedefibrilleerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gedefibrilleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gedefibrilleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gedefibrilleerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te defibrilleren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gedefibrilleerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen defibrilleren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal defibrilleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal defibrilleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal defibrilleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gedefibrilleerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gedefibrilleerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gedefibrilleerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou defibrilleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou defibrilleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou defibrilleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gedefibrilleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gedefibrilleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gedefibrilleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden defibrilleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden defibrilleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden defibrilleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gedefibrilleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gedefibrilleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gedefibrilleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt defibrilleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gedefibrilleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen defibrilleren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen defibrilleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen defibrilleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen defibrilleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gedefibrilleerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gedefibrilleerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gedefibrilleerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult defibrilleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gedefibrilleerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van fibrilleren met het voorvoegsel de-

Woordfamilie van defibrilleren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
defibrilleer gebiedende wijs defibrilleren
defibrilleerde verleden tijd defibrilleren
defibrilleerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon defibrilleren
defibrilleert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon defibrilleren
defibrillere aanvoegende wijs defibrilleren
defibrillerend onvoltooid deelwoord defibrilleren
defibrillerende woordvorm defibrilleren
gedefibrilleerd voltooid deelwoord defibrilleren
gedefibrilleerde woordvorm defibrilleren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van defibrilleren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over defibrilleren

Wat is de betekenis van defibrilleren?
Defibrilleren is een werkwoord. De betekenis is: (iemand) met een defibrillator behandelen. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik defibrilleren?
Zo vervoeg je defibrilleren zo: de tegenwoordige tijd is defibrilleer, de verleden tijd is defibrilleerde en het voltooid deelwoord is gedefibrilleerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord defibrilleren is 25 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. D 2
  2. E 1
  3. F 4
  4. I 1
  5. B 3
  6. R 2
  7. I 1
  8. L 3
  9. L 3
  10. E 1
  11. R 2
  12. E 1
  13. N 1
  14. 25 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

defibrilleren levert met Wordfeud minimaal 28 en maximaal 108 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. D 2
  2. E 1
  3. F 4
  4. I 2
  5. B 4
  6. R 2
  7. I 2
  8. L 3
  9. L 3
  10. E 1
  11. R 2
  12. E 1
  13. N 1
  14. 28 zonder bonus
  15. 108 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

defibrilleren in het kort

defibrilleren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van defibrilleren staan er 40 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort defibrilleren bij een woordfamilie van 9 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

defibrilleren: (iemand) met een defibrillator behandelen
Deel defibrilleren — standaardnederlands.nl