deficit
zelfstandig naamwoordBetekenis
- gebrek
- tekort; een ontbrekende hoeveelheid
- tekort; de situatie waarbij de uitgaven groter zijn dan de inkomsten
- nedostatok
- nedostatek
- manko
- nadbytek
- přebytek
zelfstandig naamwoord — neuter
- tekort
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| deficitje | verkleinwoord, enkelvoud |
| deficitjes | verkleinwoord, meervoud |
| deficits | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘tekort’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1824
Woordfamilie van deficit
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| deficitje | verkleinwoord | deficit |
| deficitjes | verkleinwoord meervoud | deficit |
| deficits | meervoud | deficit |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van deficit zijn vastgelegd.