decreteren
werkwoordBetekenis
- bij decreet vaststellen
Vervoeging van decreteren
decreterenhele werkwoord — decreteerdeverleden tijd enkelvoud — decreteerdenverleden tijd meervoud — gedecreteerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | decreteer | decreteerde |
| jij | decreteert | decreteerde |
| hij, zij, het | decreteert | decreteerde |
| wij | decreteren | decreteerden |
| jullie | decreteren | decreteerden |
| zij | decreteren | decreteerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gedecreteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gedecreteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| decreteer | gebiedende wijs |
| decreteerde | verleden tijd |
| decretere | aanvoegende wijs |
| decreterend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gedecreteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gedecreteerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gedecreteerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gedecreteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gedecreteerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gedecreteerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gedecreteerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gedecreteerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedecreteerd | verleden tijd, deelwoord |
| gedecreteerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gedecreteerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gedecreteerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedecreteerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedecreteerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedecreteerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gedecreteerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gedecreteerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gedecreteerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gedecreteerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gedecreteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gedecreteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gedecreteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gedecreteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gedecreteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gedecreteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gedecreteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gedecreteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedecreteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gedecreteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedecreteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gedecreteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gedecreteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedecreteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedecreteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gedecreteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gedecreteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te decreteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gedecreteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen decreteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gedecreteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gedecreteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gedecreteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gedecreteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gedecreteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gedecreteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gedecreteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gedecreteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gedecreteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gedecreteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gedecreteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gedecreteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gedecreteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gedecreteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gedecreteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gedecreteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gedecreteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gedecreteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gedecreteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gedecreteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal decreteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal decreteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal decreteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedecreteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedecreteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedecreteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gedecreteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedecreteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gedecreteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedecreteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gedecreteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gedecreteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gedecreteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gedecreteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou decreteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou decreteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou decreteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedecreteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedecreteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedecreteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gedecreteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedecreteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gedecreteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedecreteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedecreteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedecreteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden decreteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden decreteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden decreteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedecreteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedecreteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedecreteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gedecreteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gedecreteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gedecreteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gedecreteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedecreteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedecreteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt decreteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedecreteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gedecreteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gedecreteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen decreteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen decreteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen decreteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen decreteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedecreteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedecreteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedecreteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gedecreteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gedecreteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gedecreteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gedecreteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedecreteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedecreteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult decreteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedecreteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gedecreteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gedecreteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘afkondigen van een besluit’ voor het eerst aangetroffen in 1548
Woordfamilie van decreteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| decreteer | gebiedende wijs | decreteren |
| decreteerde | verleden tijd | decreteren |
| decreteerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | decreteren |
| decreteert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | decreteren |
| decretere | aanvoegende wijs | decreteren |
| decreterend | onvoltooid deelwoord | decreteren |
| decreterende | woordvorm | decreteren |
| gedecreteerd | voltooid deelwoord | decreteren |
| gedecreteerde | woordvorm | decreteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van decreteren zijn vastgelegd.