decoderen
werkwoordBetekenis
- uit code overbrengen in gewone taal
Vervoeging van decoderen
decoderenhele werkwoord — decodeerdeverleden tijd enkelvoud — decodeerdenverleden tijd meervoud — gedecodeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | decodeer | decodeerde |
| jij | decodeert | decodeerde |
| hij, zij, het | decodeert | decodeerde |
| wij | decoderen | decodeerden |
| jullie | decoderen | decodeerden |
| zij | decoderen | decodeerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gedecodeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gedecodeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| decodeer | gebiedende wijs |
| decodeerde | verleden tijd |
| decodere | aanvoegende wijs |
| decoderend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gedecodeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gedecodeerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gedecodeerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gedecodeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gedecodeerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gedecodeerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gedecodeerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gedecodeerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedecodeerd | verleden tijd, deelwoord |
| gedecodeerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gedecodeerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gedecodeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedecodeerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedecodeerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedecodeerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gedecodeerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gedecodeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gedecodeerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gedecodeerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gedecodeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gedecodeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gedecodeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gedecodeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gedecodeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gedecodeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gedecodeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gedecodeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedecodeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gedecodeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedecodeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gedecodeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gedecodeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedecodeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedecodeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gedecodeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gedecodeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te decoderen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gedecodeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen decoderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gedecodeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gedecodeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gedecodeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gedecodeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gedecodeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gedecodeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gedecodeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gedecodeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gedecodeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gedecodeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gedecodeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gedecodeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gedecodeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gedecodeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gedecodeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gedecodeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gedecodeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gedecodeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gedecodeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gedecodeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal decoderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal decoderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal decoderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedecodeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedecodeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedecodeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gedecodeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedecodeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gedecodeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedecodeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gedecodeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gedecodeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gedecodeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gedecodeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou decoderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou decoderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou decoderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedecodeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedecodeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedecodeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gedecodeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedecodeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gedecodeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedecodeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedecodeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedecodeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden decoderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden decoderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden decoderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedecodeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedecodeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedecodeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gedecodeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gedecodeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gedecodeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gedecodeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedecodeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedecodeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt decoderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedecodeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gedecodeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gedecodeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen decoderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen decoderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen decoderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen decoderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedecodeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedecodeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedecodeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gedecodeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gedecodeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gedecodeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gedecodeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedecodeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedecodeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult decoderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedecodeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gedecodeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gedecodeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘ontcijferen’ voor het eerst aangetroffen in 1942
Woordfamilie van decoderen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| decodeer | gebiedende wijs | decoderen |
| decodeerde | verleden tijd | decoderen |
| decodeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | decoderen |
| decodeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | decoderen |
| decodere | aanvoegende wijs | decoderen |
| decoderend | onvoltooid deelwoord | decoderen |
| decoderende | woordvorm | decoderen |
| gedecodeerd | voltooid deelwoord | decoderen |
| gedecodeerde | woordvorm | decoderen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van decoderen zijn vastgelegd.