Naar de inhoud

decanteren

het afgieten van een vloeistof nadat de vaste stof in de vloeistof bezonken is

decanteren

werkwoord

Betekenis

  1. het afgieten van een vloeistof nadat de vaste stof in de vloeistof bezonken is

Vervoeging van decanteren

decanterenhele werkwoord — decanteerdeverleden tijd enkelvoud — decanteerdenverleden tijd meervoud — gedecanteerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik decanteer decanteerde
jij decanteert decanteerde
hij, zij, het decanteert decanteerde
wij decanteren decanteerden
jullie decanteren decanteerden
zij decanteren decanteerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gedecanteerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gedecanteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
decanteer gebiedende wijs
decanteerde verleden tijd
decantere aanvoegende wijs
decanterend onvoltooid, deelwoord
er is gedecanteerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gedecanteerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gedecanteerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gedecanteerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gedecanteerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gedecanteerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gedecanteerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gedecanteerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gedecanteerd verleden tijd, deelwoord
gedecanteerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gedecanteerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gedecanteerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gedecanteerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gedecanteerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gedecanteerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gedecanteerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gedecanteerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gedecanteerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gedecanteerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gedecanteerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gedecanteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gedecanteerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gedecanteerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gedecanteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gedecanteerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gedecanteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gedecanteerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gedecanteerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gedecanteerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gedecanteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gedecanteerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gedecanteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gedecanteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gedecanteerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gedecanteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gedecanteerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te decanteren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gedecanteerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen decanteren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gedecanteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gedecanteerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gedecanteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gedecanteerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gedecanteerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gedecanteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gedecanteerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gedecanteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gedecanteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gedecanteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gedecanteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gedecanteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gedecanteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gedecanteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gedecanteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gedecanteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gedecanteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gedecanteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gedecanteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gedecanteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal decanteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal decanteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal decanteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gedecanteerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gedecanteerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gedecanteerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gedecanteerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gedecanteerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gedecanteerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gedecanteerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn gedecanteerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gedecanteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gedecanteerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gedecanteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou decanteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou decanteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou decanteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gedecanteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gedecanteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gedecanteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gedecanteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gedecanteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gedecanteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gedecanteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gedecanteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gedecanteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden decanteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden decanteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden decanteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gedecanteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gedecanteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gedecanteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gedecanteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gedecanteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gedecanteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gedecanteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gedecanteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gedecanteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt decanteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gedecanteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gedecanteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gedecanteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen decanteren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen decanteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen decanteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen decanteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gedecanteerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gedecanteerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gedecanteerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gedecanteerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gedecanteerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gedecanteerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gedecanteerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gedecanteerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gedecanteerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult decanteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gedecanteerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gedecanteerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gedecanteerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘afgieten’ voor het eerst aangetroffen in 1669

Woordfamilie van decanteren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
decanteer gebiedende wijs decanteren
decanteerde verleden tijd decanteren
decanteerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon decanteren
decanteert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon decanteren
decantere aanvoegende wijs decanteren
decanterend onvoltooid deelwoord decanteren
decanterende woordvorm decanteren
gedecanteerd voltooid deelwoord decanteren
gedecanteerde woordvorm decanteren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van decanteren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over decanteren

Wat is de betekenis van decanteren?
Decanteren is een werkwoord. De betekenis is: het afgieten van een vloeistof nadat de vaste stof in de vloeistof bezonken is.
Hoe vervoeg ik decanteren?
Zo vervoeg je decanteren zo: de tegenwoordige tijd is decanteer, de verleden tijd is decanteerde en het voltooid deelwoord is gedecanteerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord decanteren is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. D 2
  2. E 1
  3. C 5
  4. A 1
  5. N 1
  6. T 2
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

decanteren levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. D 2
  2. E 1
  3. C 5
  4. A 1
  5. N 1
  6. T 2
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 17 zonder bonus
  12. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

decanteren in het kort

decanteren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van decanteren staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort decanteren bij een woordfamilie van 9 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

decanteren: het afgieten van een vloeistof nadat de vaste stof in de vloeistof bezonken is
Deel decanteren — standaardnederlands.nl