decanteren
werkwoordBetekenis
- het afgieten van een vloeistof nadat de vaste stof in de vloeistof bezonken is
Vervoeging van decanteren
decanterenhele werkwoord — decanteerdeverleden tijd enkelvoud — decanteerdenverleden tijd meervoud — gedecanteerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | decanteer | decanteerde |
| jij | decanteert | decanteerde |
| hij, zij, het | decanteert | decanteerde |
| wij | decanteren | decanteerden |
| jullie | decanteren | decanteerden |
| zij | decanteren | decanteerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gedecanteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gedecanteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| decanteer | gebiedende wijs |
| decanteerde | verleden tijd |
| decantere | aanvoegende wijs |
| decanterend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gedecanteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gedecanteerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gedecanteerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gedecanteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gedecanteerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gedecanteerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gedecanteerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gedecanteerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedecanteerd | verleden tijd, deelwoord |
| gedecanteerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gedecanteerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gedecanteerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedecanteerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedecanteerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedecanteerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gedecanteerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gedecanteerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gedecanteerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gedecanteerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gedecanteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gedecanteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gedecanteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gedecanteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gedecanteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gedecanteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gedecanteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gedecanteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedecanteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gedecanteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedecanteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gedecanteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gedecanteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedecanteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedecanteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gedecanteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gedecanteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te decanteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gedecanteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen decanteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gedecanteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gedecanteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gedecanteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gedecanteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gedecanteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gedecanteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gedecanteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gedecanteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gedecanteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gedecanteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gedecanteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gedecanteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gedecanteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gedecanteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gedecanteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gedecanteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gedecanteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gedecanteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gedecanteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gedecanteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal decanteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal decanteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal decanteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedecanteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedecanteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedecanteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gedecanteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedecanteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gedecanteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedecanteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gedecanteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gedecanteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gedecanteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gedecanteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou decanteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou decanteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou decanteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedecanteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedecanteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedecanteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gedecanteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedecanteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gedecanteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedecanteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedecanteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedecanteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden decanteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden decanteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden decanteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedecanteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedecanteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedecanteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gedecanteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gedecanteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gedecanteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gedecanteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedecanteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedecanteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt decanteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedecanteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gedecanteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gedecanteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen decanteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen decanteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen decanteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen decanteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedecanteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedecanteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedecanteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gedecanteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gedecanteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gedecanteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gedecanteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedecanteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedecanteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult decanteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedecanteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gedecanteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gedecanteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘afgieten’ voor het eerst aangetroffen in 1669
Woordfamilie van decanteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| decanteer | gebiedende wijs | decanteren |
| decanteerde | verleden tijd | decanteren |
| decanteerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | decanteren |
| decanteert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | decanteren |
| decantere | aanvoegende wijs | decanteren |
| decanterend | onvoltooid deelwoord | decanteren |
| decanterende | woordvorm | decanteren |
| gedecanteerd | voltooid deelwoord | decanteren |
| gedecanteerde | woordvorm | decanteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van decanteren zijn vastgelegd.