Naar de inhoud

corresponderen

met: overeenstemmen met

corresponderen

werkwoord

Betekenis

  1. met: overeenstemmen met
  2. het houden van een briefwisseling

werkwoord

  1. ~met: overeenstemmen met unergative

Vervoeging van corresponderen

corresponderenhele werkwoord — correspondeerdeverleden tijd enkelvoud — correspondeerdenverleden tijd meervoud — gecorrespondeerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik correspondeer correspondeerde
jij correspondeert correspondeerde
hij, zij, het correspondeert correspondeerde
wij corresponderen correspondeerden
jullie corresponderen correspondeerden
zij corresponderen correspondeerden
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
correspondeer gebiedende wijs
correspondeerde verleden tijd
correspondere aanvoegende wijs
corresponderend onvoltooid, deelwoord
er is gecorrespondeerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gecorrespondeerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gecorrespondeerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gecorrespondeerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gecorrespondeerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gecorrespondeerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gecorrespondeerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gecorrespondeerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gecorrespondeerd verleden tijd, deelwoord
gecorrespondeerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gecorrespondeerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gecorrespondeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gecorrespondeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gecorrespondeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gecorrespondeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gecorrespondeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gecorrespondeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gecorrespondeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gecorrespondeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gecorrespondeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gecorrespondeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gecorrespondeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gecorrespondeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gecorrespondeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gecorrespondeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gecorrespondeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te corresponderen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gecorrespondeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen corresponderen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal corresponderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal corresponderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal corresponderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gecorrespondeerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gecorrespondeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gecorrespondeerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou corresponderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou corresponderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou corresponderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gecorrespondeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gecorrespondeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gecorrespondeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden corresponderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden corresponderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden corresponderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gecorrespondeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gecorrespondeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gecorrespondeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt corresponderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gecorrespondeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen corresponderen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen corresponderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen corresponderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen corresponderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gecorrespondeerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gecorrespondeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gecorrespondeerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult corresponderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gecorrespondeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van het Franse correspondre (met het voorvoegsel cor- en met het achtervoegsel -eren)

Woordfamilie van corresponderen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
correspondeer gebiedende wijs corresponderen
correspondeerde verleden tijd corresponderen
correspondeerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon corresponderen
correspondeert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon corresponderen
correspondere aanvoegende wijs corresponderen
gecorrespondeerd voltooid deelwoord corresponderen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van corresponderen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over corresponderen

Wat is de betekenis van corresponderen?
Corresponderen is een werkwoord. De betekenis is: met: overeenstemmen met. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik corresponderen?
Zo vervoeg je corresponderen zo: de tegenwoordige tijd is correspondeer, de verleden tijd is correspondeerde en het voltooid deelwoord is gecorrespondeerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord corresponderen is 25 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. C 5
  2. O 1
  3. R 2
  4. R 2
  5. E 1
  6. S 2
  7. P 3
  8. O 1
  9. N 1
  10. D 2
  11. E 1
  12. R 2
  13. E 1
  14. N 1
  15. 25 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

corresponderen levert met Wordfeud minimaal 26 en maximaal 108 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. C 5
  2. O 1
  3. R 2
  4. R 2
  5. E 1
  6. S 2
  7. P 4
  8. O 1
  9. N 1
  10. D 2
  11. E 1
  12. R 2
  13. E 1
  14. N 1
  15. 26 zonder bonus
  16. 108 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

corresponderen in het kort

corresponderen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van corresponderen staan er 40 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort corresponderen bij een woordfamilie van 6 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

corresponderen: met: overeenstemmen met
Deel corresponderen — standaardnederlands.nl