corresponderen
werkwoordBetekenis
- met: overeenstemmen met
- het houden van een briefwisseling
werkwoord
- ~met: overeenstemmen met unergative
Vervoeging van corresponderen
corresponderenhele werkwoord — correspondeerdeverleden tijd enkelvoud — correspondeerdenverleden tijd meervoud — gecorrespondeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | correspondeer | correspondeerde |
| jij | correspondeert | correspondeerde |
| hij, zij, het | correspondeert | correspondeerde |
| wij | corresponderen | correspondeerden |
| jullie | corresponderen | correspondeerden |
| zij | corresponderen | correspondeerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| correspondeer | gebiedende wijs |
| correspondeerde | verleden tijd |
| correspondere | aanvoegende wijs |
| corresponderend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gecorrespondeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gecorrespondeerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gecorrespondeerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gecorrespondeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gecorrespondeerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gecorrespondeerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gecorrespondeerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gecorrespondeerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gecorrespondeerd | verleden tijd, deelwoord |
| gecorrespondeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gecorrespondeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gecorrespondeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gecorrespondeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gecorrespondeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gecorrespondeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gecorrespondeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gecorrespondeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gecorrespondeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gecorrespondeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gecorrespondeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gecorrespondeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gecorrespondeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gecorrespondeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gecorrespondeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gecorrespondeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gecorrespondeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te corresponderen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gecorrespondeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen corresponderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal corresponderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal corresponderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal corresponderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gecorrespondeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gecorrespondeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gecorrespondeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou corresponderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou corresponderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou corresponderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gecorrespondeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gecorrespondeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gecorrespondeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden corresponderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden corresponderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden corresponderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gecorrespondeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gecorrespondeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gecorrespondeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt corresponderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gecorrespondeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen corresponderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen corresponderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen corresponderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen corresponderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gecorrespondeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gecorrespondeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gecorrespondeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult corresponderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gecorrespondeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse correspondre (met het voorvoegsel cor- en met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van corresponderen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| correspondeer | gebiedende wijs | corresponderen |
| correspondeerde | verleden tijd | corresponderen |
| correspondeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | corresponderen |
| correspondeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | corresponderen |
| correspondere | aanvoegende wijs | corresponderen |
| gecorrespondeerd | voltooid deelwoord | corresponderen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van corresponderen zijn vastgelegd.