convoceren
werkwoordBetekenis
- voor een vergadering bijeenroepen
Vervoeging van convoceren
convocerenhele werkwoord — convoceerdeverleden tijd enkelvoud — convoceerdenverleden tijd meervoud — geconvoceerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | convoceer | convoceerde |
| jij | convoceert | convoceerde |
| hij, zij, het | convoceert | convoceerde |
| wij | convoceren | convoceerden |
| jullie | convoceren | convoceerden |
| zij | convoceren | convoceerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geconvoceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geconvoceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| convoceer | gebiedende wijs |
| convoceerde | verleden tijd |
| convocere | aanvoegende wijs |
| convocerend | onvoltooid, deelwoord |
| er is geconvoceerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geconvoceerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geconvoceerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geconvoceerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geconvoceerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geconvoceerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geconvoceerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geconvoceerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geconvoceerd | verleden tijd, deelwoord |
| geconvoceerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geconvoceerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geconvoceerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geconvoceerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geconvoceerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geconvoceerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geconvoceerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geconvoceerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geconvoceerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geconvoceerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geconvoceerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geconvoceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geconvoceerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geconvoceerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geconvoceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geconvoceerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geconvoceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geconvoceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geconvoceerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geconvoceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geconvoceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geconvoceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geconvoceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geconvoceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geconvoceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geconvoceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geconvoceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te convoceren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geconvoceerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen convoceren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geconvoceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geconvoceerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geconvoceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geconvoceerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geconvoceerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geconvoceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geconvoceerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geconvoceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geconvoceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geconvoceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geconvoceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geconvoceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geconvoceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geconvoceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geconvoceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geconvoceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geconvoceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geconvoceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geconvoceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geconvoceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal convoceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal convoceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal convoceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geconvoceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geconvoceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geconvoceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geconvoceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geconvoceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geconvoceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geconvoceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn geconvoceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geconvoceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geconvoceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geconvoceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou convoceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou convoceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou convoceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geconvoceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geconvoceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geconvoceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geconvoceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geconvoceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geconvoceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geconvoceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geconvoceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geconvoceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden convoceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden convoceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden convoceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geconvoceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geconvoceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geconvoceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geconvoceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geconvoceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geconvoceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geconvoceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geconvoceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geconvoceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt convoceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geconvoceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geconvoceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geconvoceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen convoceren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen convoceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen convoceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen convoceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geconvoceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geconvoceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geconvoceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geconvoceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geconvoceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geconvoceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geconvoceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geconvoceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geconvoceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult convoceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geconvoceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geconvoceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geconvoceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse convoquer (met het voorvoegsel con- en met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van convoceren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| convoceer | gebiedende wijs | convoceren |
| convoceerde | verleden tijd | convoceren |
| convoceerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | convoceren |
| convoceert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | convoceren |
| convocere | aanvoegende wijs | convoceren |
| convocerend | onvoltooid deelwoord | convoceren |
| convocerende | woordvorm | convoceren |
| geconvoceerd | voltooid deelwoord | convoceren |
| geconvoceerde | woordvorm | convoceren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van convoceren zijn vastgelegd.