Naar de inhoud

convoceren

voor een vergadering bijeenroepen

convoceren

werkwoord

Betekenis

  1. voor een vergadering bijeenroepen

Vervoeging van convoceren

convocerenhele werkwoord — convoceerdeverleden tijd enkelvoud — convoceerdenverleden tijd meervoud — geconvoceerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik convoceer convoceerde
jij convoceert convoceerde
hij, zij, het convoceert convoceerde
wij convoceren convoceerden
jullie convoceren convoceerden
zij convoceren convoceerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben geconvoceerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geconvoceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
convoceer gebiedende wijs
convoceerde verleden tijd
convocere aanvoegende wijs
convocerend onvoltooid, deelwoord
er is geconvoceerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geconvoceerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geconvoceerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geconvoceerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geconvoceerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geconvoceerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geconvoceerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geconvoceerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geconvoceerd verleden tijd, deelwoord
geconvoceerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geconvoceerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geconvoceerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geconvoceerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geconvoceerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geconvoceerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geconvoceerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geconvoceerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geconvoceerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geconvoceerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geconvoceerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geconvoceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geconvoceerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geconvoceerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geconvoceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geconvoceerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geconvoceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geconvoceerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geconvoceerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geconvoceerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geconvoceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geconvoceerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geconvoceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geconvoceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geconvoceerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is geconvoceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geconvoceerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te convoceren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben geconvoceerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen convoceren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart geconvoceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geconvoceerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geconvoceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geconvoceerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geconvoceerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geconvoceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geconvoceerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geconvoceerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geconvoceerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geconvoceerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geconvoceerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geconvoceerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geconvoceerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geconvoceerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geconvoceerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geconvoceerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geconvoceerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geconvoceerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geconvoceerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geconvoceerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal convoceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal convoceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal convoceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal geconvoceerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geconvoceerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geconvoceerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geconvoceerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geconvoceerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geconvoceerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geconvoceerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn geconvoceerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geconvoceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geconvoceerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geconvoceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou convoceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou convoceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou convoceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou geconvoceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geconvoceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geconvoceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geconvoceerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geconvoceerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geconvoceerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geconvoceerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geconvoceerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geconvoceerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden convoceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden convoceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden convoceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden geconvoceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geconvoceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geconvoceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geconvoceerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geconvoceerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geconvoceerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geconvoceerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geconvoceerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geconvoceerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt convoceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt geconvoceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geconvoceerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geconvoceerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen convoceren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen convoceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen convoceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen convoceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen geconvoceerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geconvoceerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geconvoceerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geconvoceerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen geconvoceerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen geconvoceerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geconvoceerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geconvoceerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geconvoceerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult convoceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult geconvoceerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geconvoceerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geconvoceerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van het Franse convoquer (met het voorvoegsel con- en met het achtervoegsel -eren)

Woordfamilie van convoceren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
convoceer gebiedende wijs convoceren
convoceerde verleden tijd convoceren
convoceerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon convoceren
convoceert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon convoceren
convocere aanvoegende wijs convoceren
convocerend onvoltooid deelwoord convoceren
convocerende woordvorm convoceren
geconvoceerd voltooid deelwoord convoceren
geconvoceerde woordvorm convoceren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van convoceren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over convoceren

Wat is de betekenis van convoceren?
Convoceren is een werkwoord. De betekenis is: voor een vergadering bijeenroepen.
Hoe vervoeg ik convoceren?
Zo vervoeg je convoceren zo: de tegenwoordige tijd is convoceer, de verleden tijd is convoceerde en het voltooid deelwoord is geconvoceerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord convoceren is 22 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. C 5
  2. O 1
  3. N 1
  4. V 4
  5. O 1
  6. C 5
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 22 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

convoceren levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 96 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. C 5
  2. O 1
  3. N 1
  4. V 4
  5. O 1
  6. C 5
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 22 zonder bonus
  12. 96 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

convoceren in het kort

convoceren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van convoceren staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort convoceren bij een woordfamilie van 9 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

convoceren: voor een vergadering bijeenroepen
Deel convoceren — standaardnederlands.nl