consuminderen
werkwoordBetekenis
- minder consumeren
Vervoeging van consuminderen
consuminderenhele werkwoord — consuminderdeverleden tijd enkelvoud — consuminderdenverleden tijd meervoud — geconsuminderdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | consuminder | consuminderde |
| jij | consumindert | consuminderde |
| hij, zij, het | consumindert | consuminderde |
| wij | consuminderen | consuminderden |
| jullie | consuminderen | consuminderden |
| zij | consuminderen | consuminderden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| consuminder | gebiedende wijs |
| consuminderde | verleden tijd |
| consumindere | aanvoegende wijs |
| consuminderend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| geconsuminderd | verleden tijd, deelwoord |
| geconsuminderd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geconsuminderd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geconsuminderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geconsuminderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geconsuminderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geconsuminderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geconsuminderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geconsuminderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geconsuminderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geconsuminderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geconsuminderd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geconsuminderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geconsuminderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geconsuminderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geconsuminderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geconsuminderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geconsuminderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te consuminderen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geconsuminderd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen consuminderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal consuminderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal consuminderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal consuminderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geconsuminderd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geconsuminderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geconsuminderd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou consuminderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou consuminderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou consuminderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geconsuminderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geconsuminderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geconsuminderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden consuminderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden consuminderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden consuminderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geconsuminderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geconsuminderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geconsuminderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt consuminderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geconsuminderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen consuminderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen consuminderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen consuminderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen consuminderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geconsuminderd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geconsuminderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geconsuminderd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult consuminderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geconsuminderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘minder consumeren’ voor het eerst aangetroffen in 1899
Woordfamilie van consuminderen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| consuminder | gebiedende wijs | consuminderen |
| consuminderde | verleden tijd | consuminderen |
| consuminderden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | consuminderen |
| consumindere | aanvoegende wijs | consuminderen |
| consuminderend | onvoltooid deelwoord | consuminderen |
| consuminderende | woordvorm | consuminderen |
| consumindert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | consuminderen |
| geconsuminderd | voltooid deelwoord | consuminderen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van consuminderen zijn vastgelegd.