complotteren
werkwoordBetekenis
- samenspannen
Vervoeging van complotteren
complotterenhele werkwoord — complotteerdeverleden tijd enkelvoud — complotteerdenverleden tijd meervoud — gecomplotteerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | complotteer | complotteerde |
| jij | complotteert | complotteerde |
| hij, zij, het | complotteert | complotteerde |
| wij | complotteren | complotteerden |
| jullie | complotteren | complotteerden |
| zij | complotteren | complotteerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| complotteer | gebiedende wijs |
| complotteerde | verleden tijd |
| complottere | aanvoegende wijs |
| complotterend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gecomplotteerd | verleden tijd, deelwoord |
| gecomplotteerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gecomplotteerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gecomplotteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gecomplotteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gecomplotteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gecomplotteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gecomplotteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gecomplotteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gecomplotteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gecomplotteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gecomplotteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gecomplotteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gecomplotteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gecomplotteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gecomplotteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gecomplotteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gecomplotteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te complotteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gecomplotteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen complotteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal complotteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal complotteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal complotteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gecomplotteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gecomplotteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gecomplotteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou complotteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou complotteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou complotteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gecomplotteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gecomplotteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gecomplotteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden complotteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden complotteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden complotteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gecomplotteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gecomplotteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gecomplotteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt complotteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gecomplotteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen complotteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen complotteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen complotteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen complotteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gecomplotteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gecomplotteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gecomplotteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult complotteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gecomplotteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse comploter (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van complotteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| complotteer | gebiedende wijs | complotteren |
| complotteerde | verleden tijd | complotteren |
| complotteerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | complotteren |
| complotteert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | complotteren |
| complottere | aanvoegende wijs | complotteren |
| complotterend | onvoltooid deelwoord | complotteren |
| complotterende | woordvorm | complotteren |
| gecomplotteerd | voltooid deelwoord | complotteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van complotteren zijn vastgelegd.