Naar de inhoud

communiceren

ter communie gaan, de heilige communie ontvangen of uitreiken

communiceren

werkwoord

Betekenis

  1. ter communie gaan, de heilige communie ontvangen of uitreiken
  2. door middel van communicatie met elkaar in contact komen; uitwisselen van informatie

Vervoeging van communiceren

communicerenhele werkwoord — communiceerdeverleden tijd enkelvoud — communiceerdenverleden tijd meervoud — gecommuniceerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik communiceer communiceerde
jij communiceert communiceerde
hij, zij, het communiceert communiceerde
wij communiceren communiceerden
jullie communiceren communiceerden
zij communiceren communiceerden
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
communiceer gebiedende wijs
communiceerde verleden tijd
communicere aanvoegende wijs
communicerend onvoltooid, deelwoord
er is gecommuniceerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gecommuniceerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gecommuniceerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gecommuniceerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gecommuniceerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gecommuniceerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gecommuniceerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gecommuniceerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gecommuniceerd verleden tijd, deelwoord
gecommuniceerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gecommuniceerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gecommuniceerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gecommuniceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gecommuniceerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gecommuniceerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gecommuniceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gecommuniceerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gecommuniceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gecommuniceerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gecommuniceerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gecommuniceerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gecommuniceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gecommuniceerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gecommuniceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gecommuniceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gecommuniceerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te communiceren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gecommuniceerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen communiceren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal communiceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal communiceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal communiceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gecommuniceerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gecommuniceerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gecommuniceerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou communiceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou communiceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou communiceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gecommuniceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gecommuniceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gecommuniceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden communiceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden communiceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden communiceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gecommuniceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gecommuniceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gecommuniceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt communiceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gecommuniceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen communiceren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen communiceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen communiceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen communiceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gecommuniceerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gecommuniceerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gecommuniceerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult communiceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gecommuniceerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van het Franse communiquer (met het voorvoegsel com-, met het achtervoegsel -eren)

Woordfamilie van communiceren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
communiceer gebiedende wijs communiceren
communiceerde verleden tijd communiceren
communiceerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon communiceren
communiceert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon communiceren
communicere aanvoegende wijs communiceren
gecommuniceerd voltooid deelwoord communiceren
gecommuniceerde woordvorm communiceren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van communiceren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over communiceren

Wat betekent communiceren?
Communiceren is een werkwoord. Het woord betekent: ter communie gaan, de heilige communie ontvangen of uitreiken. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je communiceren?
Je vervoegt communiceren als volgt: de tegenwoordige tijd is communiceer, de verleden tijd is communiceerde en het voltooid deelwoord is gecommuniceerd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord communiceren is 28 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. C 5
  2. O 1
  3. M 3
  4. M 3
  5. U 4
  6. N 1
  7. I 1
  8. C 5
  9. E 1
  10. R 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 28 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

communiceren levert met Wordfeud minimaal 27 en maximaal 111 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. C 5
  2. O 1
  3. M 3
  4. M 3
  5. U 2
  6. N 1
  7. I 2
  8. C 5
  9. E 1
  10. R 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 27 zonder bonus
  14. 111 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

communiceren in het kort

communiceren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van communiceren zijn 40 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort communiceren bij een woordfamilie van 7 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

communiceren: ter communie gaan, de heilige communie ontvangen of uitreiken
Deel communiceren — standaardnederlands.nl