colloqueren
werkwoordBetekenis
- plaatsen (van rechtswege in een inrichting)
Vervoeging van colloqueren
colloquerenhele werkwoord — colloqueerdeverleden tijd enkelvoud — colloqueerdenverleden tijd meervoud — gecolloqueerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | colloqueer | colloqueerde |
| jij | colloqueert | colloqueerde |
| hij, zij, het | colloqueert | colloqueerde |
| wij | colloqueren | colloqueerden |
| jullie | colloqueren | colloqueerden |
| zij | colloqueren | colloqueerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gecolloqueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gecolloqueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| colloqueer | gebiedende wijs |
| colloqueerde | verleden tijd |
| colloquere | aanvoegende wijs |
| colloquerend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gecolloqueerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gecolloqueerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gecolloqueerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gecolloqueerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gecolloqueerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gecolloqueerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gecolloqueerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gecolloqueerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gecolloqueerd | verleden tijd, deelwoord |
| gecolloqueerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gecolloqueerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gecolloqueerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gecolloqueerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gecolloqueerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gecolloqueerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gecolloqueerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gecolloqueerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gecolloqueerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gecolloqueerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gecolloqueerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gecolloqueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gecolloqueerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gecolloqueerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gecolloqueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gecolloqueerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gecolloqueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gecolloqueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gecolloqueerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gecolloqueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gecolloqueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gecolloqueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gecolloqueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gecolloqueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gecolloqueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gecolloqueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gecolloqueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te colloqueren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gecolloqueerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen colloqueren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gecolloqueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gecolloqueerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gecolloqueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gecolloqueerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gecolloqueerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gecolloqueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gecolloqueerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gecolloqueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gecolloqueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gecolloqueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gecolloqueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gecolloqueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gecolloqueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gecolloqueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gecolloqueerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gecolloqueerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gecolloqueerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gecolloqueerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gecolloqueerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gecolloqueerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal colloqueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal colloqueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal colloqueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gecolloqueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gecolloqueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gecolloqueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gecolloqueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gecolloqueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gecolloqueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gecolloqueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gecolloqueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gecolloqueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gecolloqueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gecolloqueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou colloqueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou colloqueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou colloqueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gecolloqueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gecolloqueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gecolloqueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gecolloqueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gecolloqueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gecolloqueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gecolloqueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gecolloqueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gecolloqueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden colloqueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden colloqueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden colloqueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gecolloqueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gecolloqueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gecolloqueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gecolloqueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gecolloqueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gecolloqueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gecolloqueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gecolloqueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gecolloqueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt colloqueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gecolloqueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gecolloqueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gecolloqueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen colloqueren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen colloqueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen colloqueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen colloqueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gecolloqueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gecolloqueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gecolloqueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gecolloqueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gecolloqueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gecolloqueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gecolloqueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gecolloqueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gecolloqueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult colloqueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gecolloqueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gecolloqueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gecolloqueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Latijnse locus (plek) met het voorvoegsel col- met het achtervoegsel -eren
Woordfamilie van colloqueren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| colloqueer | gebiedende wijs | colloqueren |
| colloqueerde | verleden tijd | colloqueren |
| colloqueerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | colloqueren |
| colloqueert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | colloqueren |
| colloquere | aanvoegende wijs | colloqueren |
| colloquerend | onvoltooid deelwoord | colloqueren |
| colloquerende | woordvorm | colloqueren |
| gecolloqueerd | voltooid deelwoord | colloqueren |
| gecolloqueerde | woordvorm | colloqueren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van colloqueren zijn vastgelegd.