co-existeren
werkwoordBetekenis
- naast elkaar (vredig) bestaan
Vervoeging van co-existeren
co-existerenhele werkwoord — co-existeerdeverleden tijd enkelvoud — co-existeerdenverleden tijd meervoud — geco-existeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | co-existeer | co-existeerde |
| jij | co-existeert | co-existeerde |
| hij, zij, het | co-existeert | co-existeerde |
| wij | co-existeren | co-existeerden |
| jullie | co-existeren | co-existeerden |
| zij | co-existeren | co-existeerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| co-existeer | gebiedende wijs |
| co-existeerde | verleden tijd |
| co-existere | aanvoegende wijs |
| co-existerend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| geco-existeerd | verleden tijd, deelwoord |
| geco-existeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geco-existeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geco-existeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geco-existeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geco-existeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geco-existeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geco-existeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geco-existeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geco-existeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geco-existeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geco-existeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geco-existeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geco-existeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geco-existeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geco-existeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geco-existeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geco-existeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te co-existeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geco-existeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen co-existeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal co-existeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal co-existeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal co-existeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geco-existeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geco-existeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geco-existeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou co-existeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou co-existeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou co-existeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geco-existeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geco-existeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geco-existeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden co-existeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden co-existeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden co-existeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geco-existeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geco-existeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geco-existeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt co-existeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geco-existeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen co-existeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen co-existeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen co-existeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen co-existeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geco-existeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geco-existeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geco-existeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult co-existeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geco-existeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Naamwoord van handeling van existeren met het voorvoegsel co-
Woordfamilie van co-existeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| co-existeer | gebiedende wijs | co-existeren |
| co-existeerde | verleden tijd | co-existeren |
| co-existeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | co-existeren |
| co-existeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | co-existeren |
| co-existere | aanvoegende wijs | co-existeren |
| co-existerend | onvoltooid deelwoord | co-existeren |
| co-existerende | woordvorm | co-existeren |
| geco-existeerd | voltooid deelwoord | co-existeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van co-existeren zijn vastgelegd.