coïncideren
werkwoordBetekenis
- samenvallen in ruimte of tijd
- het samenvallen in ruimte of tijd vaststellen
Vervoeging van coïncideren
coïnciderenhele werkwoord — coïncideerdeverleden tijd enkelvoud — coïncideerdenverleden tijd meervoud — gecoïncideerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | coïncideer | coïncideerde |
| jij | coïncideert | coïncideerde |
| hij, zij, het | coïncideert | coïncideerde |
| wij | coïncideren | coïncideerden |
| jullie | coïncideren | coïncideerden |
| zij | coïncideren | coïncideerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| coïncideer | gebiedende wijs |
| coïncideerde | verleden tijd |
| coïncidere | aanvoegende wijs |
| coïnciderend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gecoïncideerd | verleden tijd, deelwoord |
| gecoïncideerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gecoïncideerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gecoïncideerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gecoïncideerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gecoïncideerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gecoïncideerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gecoïncideerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gecoïncideerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gecoïncideerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gecoïncideerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gecoïncideerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gecoïncideerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gecoïncideerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gecoïncideerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gecoïncideerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gecoïncideerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gecoïncideerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te coïncideren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gecoïncideerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen coïncideren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal coïncideren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal coïncideren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal coïncideren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gecoïncideerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gecoïncideerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gecoïncideerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou coïncideren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou coïncideren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou coïncideren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gecoïncideerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gecoïncideerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gecoïncideerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden coïncideren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden coïncideren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden coïncideren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gecoïncideerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gecoïncideerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gecoïncideerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt coïncideren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gecoïncideerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen coïncideren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen coïncideren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen coïncideren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen coïncideren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gecoïncideerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gecoïncideerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gecoïncideerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult coïncideren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gecoïncideerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse coïncider (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van coïncideren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| coïncideer | gebiedende wijs | coïncideren |
| coïncideerde | verleden tijd | coïncideren |
| coïncideerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | coïncideren |
| coïncideert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | coïncideren |
| coïncidere | aanvoegende wijs | coïncideren |
| coïnciderend | onvoltooid deelwoord | coïncideren |
| coïnciderende | woordvorm | coïncideren |
| gecoïncideerd | voltooid deelwoord | coïncideren |
| gecoïncideerde | woordvorm | coïncideren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van coïncideren zijn vastgelegd.