ciseleren
werkwoordBetekenis
- heel fijne reliëfversieringen door insnijden en/of wegsteken in metalen voorwerpen maken
- voedsel fijnsnijden
Vervoeging van ciseleren
ciselerenhele werkwoord — ciseleerdeverleden tijd enkelvoud — ciseleerdenverleden tijd meervoud — geciseleerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ciseleer | ciseleerde |
| jij | ciseleert | ciseleerde |
| hij, zij, het | ciseleert | ciseleerde |
| wij | ciseleren | ciseleerden |
| jullie | ciseleren | ciseleerden |
| zij | ciseleren | ciseleerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geciseleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geciseleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ciseleer | gebiedende wijs |
| ciseleerde | verleden tijd |
| ciselere | aanvoegende wijs |
| ciselerend | onvoltooid, deelwoord |
| er is geciseleerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geciseleerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geciseleerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geciseleerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geciseleerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geciseleerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geciseleerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geciseleerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geciseleerd | verleden tijd, deelwoord |
| geciseleerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geciseleerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geciseleerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geciseleerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geciseleerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geciseleerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geciseleerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geciseleerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geciseleerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geciseleerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geciseleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geciseleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geciseleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geciseleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geciseleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geciseleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geciseleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geciseleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geciseleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geciseleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geciseleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geciseleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geciseleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geciseleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geciseleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geciseleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geciseleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te ciseleren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geciseleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ciseleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geciseleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geciseleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geciseleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geciseleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geciseleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geciseleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geciseleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geciseleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geciseleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geciseleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geciseleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geciseleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geciseleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geciseleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geciseleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geciseleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geciseleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geciseleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geciseleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geciseleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal ciseleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ciseleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ciseleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geciseleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geciseleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geciseleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geciseleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geciseleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geciseleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geciseleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn geciseleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geciseleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geciseleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geciseleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ciseleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ciseleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ciseleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geciseleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geciseleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geciseleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geciseleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geciseleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geciseleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geciseleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geciseleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geciseleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ciseleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ciseleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ciseleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geciseleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geciseleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geciseleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geciseleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geciseleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geciseleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geciseleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geciseleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geciseleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt ciseleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geciseleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geciseleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geciseleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen ciseleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ciseleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ciseleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ciseleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geciseleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geciseleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geciseleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geciseleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geciseleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geciseleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geciseleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geciseleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geciseleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult ciseleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geciseleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geciseleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geciseleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘versiering in metaal beitelen’ voor het eerst aangetroffen in 1704
Woordfamilie van ciseleren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ciseleer | gebiedende wijs | ciseleren |
| ciseleerde | verleden tijd | ciseleren |
| ciseleerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ciseleren |
| ciseleert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ciseleren |
| ciselere | aanvoegende wijs | ciseleren |
| ciselerend | onvoltooid deelwoord | ciseleren |
| ciselerende | woordvorm | ciseleren |
| geciseleerd | voltooid deelwoord | ciseleren |
| geciseleerde | woordvorm | ciseleren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ciseleren zijn vastgelegd.