charmeren
werkwoordBetekenis
- zorgen dat anderen je leuk of aantrekkelijk vinden
Vervoeging van charmeren
charmerenhele werkwoord — charmeerdeverleden tijd enkelvoud — charmeerdenverleden tijd meervoud — gecharmeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | charmeer | charmeerde |
| jij | charmeert | charmeerde |
| hij, zij, het | charmeert | charmeerde |
| wij | charmeren | charmeerden |
| jullie | charmeren | charmeerden |
| zij | charmeren | charmeerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| charmeer | gebiedende wijs |
| charmeerde | verleden tijd |
| charmere | aanvoegende wijs |
| charmerend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gecharmeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gecharmeerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gecharmeerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gecharmeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gecharmeerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gecharmeerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gecharmeerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gecharmeerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gecharmeerd | verleden tijd, deelwoord |
| gecharmeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gecharmeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gecharmeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gecharmeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gecharmeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gecharmeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gecharmeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gecharmeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gecharmeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gecharmeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gecharmeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gecharmeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gecharmeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gecharmeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gecharmeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gecharmeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gecharmeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te charmeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gecharmeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen charmeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal charmeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal charmeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal charmeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gecharmeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gecharmeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gecharmeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou charmeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou charmeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou charmeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gecharmeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gecharmeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gecharmeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden charmeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden charmeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden charmeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gecharmeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gecharmeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gecharmeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt charmeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gecharmeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen charmeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen charmeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen charmeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen charmeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gecharmeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gecharmeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gecharmeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult charmeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gecharmeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse charmer (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van charmeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| charmeer | gebiedende wijs | charmeren |
| charmeerde | verleden tijd | charmeren |
| charmeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | charmeren |
| charmeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | charmeren |
| charmere | aanvoegende wijs | charmeren |
| charmerend | onvoltooid deelwoord | charmeren |
| charmerende | woordvorm | charmeren |
| gecharmeerd | voltooid deelwoord | charmeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van charmeren zijn vastgelegd.