cementeren
werkwoordBetekenis
- met cement bestrijken
- metaal (in een cementeeroven) gloeien met kool(poeder)
Vervoeging van cementeren
cementerenhele werkwoord — cementeerdeverleden tijd enkelvoud — cementeerdenverleden tijd meervoud — gecementeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | cementeer | cementeerde |
| jij | cementeert | cementeerde |
| hij, zij, het | cementeert | cementeerde |
| wij | cementeren | cementeerden |
| jullie | cementeren | cementeerden |
| zij | cementeren | cementeerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gecementeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gecementeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| cementeer | gebiedende wijs |
| cementeerde | verleden tijd |
| cementere | aanvoegende wijs |
| cementerend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gecementeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gecementeerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gecementeerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gecementeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gecementeerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gecementeerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gecementeerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gecementeerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gecementeerd | verleden tijd, deelwoord |
| gecementeerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gecementeerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gecementeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gecementeerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gecementeerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gecementeerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gecementeerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gecementeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gecementeerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gecementeerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gecementeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gecementeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gecementeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gecementeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gecementeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gecementeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gecementeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gecementeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gecementeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gecementeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gecementeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gecementeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gecementeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gecementeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gecementeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gecementeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gecementeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te cementeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gecementeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen cementeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gecementeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gecementeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gecementeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gecementeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gecementeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gecementeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gecementeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gecementeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gecementeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gecementeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gecementeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gecementeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gecementeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gecementeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gecementeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gecementeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gecementeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gecementeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gecementeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gecementeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal cementeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal cementeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal cementeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gecementeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gecementeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gecementeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gecementeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gecementeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gecementeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gecementeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gecementeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gecementeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gecementeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gecementeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou cementeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou cementeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou cementeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gecementeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gecementeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gecementeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gecementeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gecementeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gecementeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gecementeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gecementeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gecementeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden cementeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden cementeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden cementeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gecementeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gecementeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gecementeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gecementeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gecementeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gecementeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gecementeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gecementeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gecementeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt cementeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gecementeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gecementeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gecementeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen cementeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen cementeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen cementeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen cementeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gecementeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gecementeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gecementeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gecementeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gecementeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gecementeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gecementeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gecementeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gecementeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult cementeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gecementeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gecementeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gecementeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse cémenter (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van cementeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| cementeer | gebiedende wijs | cementeren |
| cementeerde | verleden tijd | cementeren |
| cementeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | cementeren |
| cementeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | cementeren |
| cementere | aanvoegende wijs | cementeren |
| cementerend | onvoltooid deelwoord | cementeren |
| cementerende | woordvorm | cementeren |
| gecementeerd | voltooid deelwoord | cementeren |
| gecementeerde | woordvorm | cementeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van cementeren zijn vastgelegd.