Naar de inhoud

castreren

een sterilisatie uitvoeren van een man of mannelijk dier door verwijdering van de zaadballen

castreren

werkwoord

Betekenis

  1. een sterilisatie uitvoeren van een man of mannelijk dier door verwijdering van de zaadballen

werkwoord

  1. een sterilisatie uitvoeren bij een man of het mannelijke exemplaar van een dier, door verwijdering van de zaadballen transitive

Vervoeging van castreren

castrerenhele werkwoord — castreerdeverleden tijd enkelvoud — castreerdenverleden tijd meervoud — gecastreerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik castreer castreerde
jij castreert castreerde
hij, zij, het castreert castreerde
wij castreren castreerden
jullie castreren castreerden
zij castreren castreerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gecastreerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gecastreerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
castreer gebiedende wijs
castreerde verleden tijd
castrere aanvoegende wijs
castrerend onvoltooid, deelwoord
er is gecastreerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gecastreerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gecastreerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gecastreerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gecastreerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gecastreerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gecastreerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gecastreerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gecastreerd verleden tijd, deelwoord
gecastreerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gecastreerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gecastreerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gecastreerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gecastreerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gecastreerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gecastreerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gecastreerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gecastreerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gecastreerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gecastreerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gecastreerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gecastreerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gecastreerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gecastreerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gecastreerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gecastreerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gecastreerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gecastreerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gecastreerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gecastreerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gecastreerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gecastreerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gecastreerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gecastreerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gecastreerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gecastreerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te castreren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gecastreerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen castreren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gecastreerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gecastreerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gecastreerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gecastreerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gecastreerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gecastreerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gecastreerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gecastreerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gecastreerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gecastreerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gecastreerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gecastreerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gecastreerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gecastreerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gecastreerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gecastreerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gecastreerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gecastreerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gecastreerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gecastreerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal castreren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal castreren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal castreren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gecastreerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gecastreerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gecastreerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gecastreerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gecastreerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gecastreerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gecastreerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn gecastreerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gecastreerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gecastreerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gecastreerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou castreren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou castreren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou castreren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gecastreerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gecastreerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gecastreerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gecastreerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gecastreerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gecastreerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gecastreerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gecastreerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gecastreerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden castreren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden castreren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden castreren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gecastreerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gecastreerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gecastreerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gecastreerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gecastreerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gecastreerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gecastreerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gecastreerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gecastreerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt castreren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gecastreerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gecastreerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gecastreerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen castreren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen castreren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen castreren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen castreren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gecastreerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gecastreerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gecastreerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gecastreerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gecastreerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gecastreerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gecastreerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gecastreerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gecastreerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult castreren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gecastreerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gecastreerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gecastreerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘ontmannen’ voor het eerst aangetroffen in 1291

Woordfamilie van castreren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
castreer gebiedende wijs castreren
castreerde verleden tijd castreren
castreerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon castreren
castreert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon castreren
castrere aanvoegende wijs castreren
castrerend onvoltooid deelwoord castreren
castrerende woordvorm castreren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van castreren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over castreren

Wat is de betekenis van castreren?
Castreren is een werkwoord. De betekenis is: een sterilisatie uitvoeren van een man of mannelijk dier door verwijdering van de zaadballen. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik castreren?
Zo vervoeg je castreren zo: de tegenwoordige tijd is castreer, de verleden tijd is castreerde en het voltooid deelwoord is gecastreerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord castreren is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. C 5
  2. A 1
  3. S 2
  4. T 2
  5. R 2
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

castreren levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. C 5
  2. A 1
  3. S 2
  4. T 2
  5. R 2
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 zonder bonus
  11. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

castreren in het kort

castreren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van castreren staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort castreren bij een woordfamilie van 7 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

castreren: een sterilisatie uitvoeren van een man of mannelijk dier door verwijdering van de zaadballen
Deel castreren — standaardnederlands.nl