casseren
werkwoordBetekenis
- vernietigen
Vervoeging van casseren
casserenhele werkwoord — casseerdeverleden tijd enkelvoud — casseerdenverleden tijd meervoud — gecasseerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | casseer | casseerde |
| jij | casseert | casseerde |
| hij, zij, het | casseert | casseerde |
| wij | casseren | casseerden |
| jullie | casseren | casseerden |
| zij | casseren | casseerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gecasseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gecasseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| casseer | gebiedende wijs |
| casseerde | verleden tijd |
| cassere | aanvoegende wijs |
| casserend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gecasseerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gecasseerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gecasseerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gecasseerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gecasseerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gecasseerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gecasseerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gecasseerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gecasseerd | verleden tijd, deelwoord |
| gecasseerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gecasseerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gecasseerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gecasseerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gecasseerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gecasseerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gecasseerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gecasseerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gecasseerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gecasseerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gecasseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gecasseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gecasseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gecasseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gecasseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gecasseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gecasseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gecasseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gecasseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gecasseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gecasseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gecasseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gecasseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gecasseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gecasseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gecasseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gecasseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te casseren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gecasseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen casseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gecasseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gecasseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gecasseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gecasseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gecasseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gecasseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gecasseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gecasseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gecasseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gecasseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gecasseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gecasseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gecasseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gecasseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gecasseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gecasseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gecasseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gecasseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gecasseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gecasseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal casseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal casseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal casseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gecasseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gecasseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gecasseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gecasseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gecasseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gecasseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gecasseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gecasseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gecasseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gecasseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gecasseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou casseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou casseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou casseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gecasseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gecasseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gecasseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gecasseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gecasseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gecasseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gecasseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gecasseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gecasseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden casseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden casseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden casseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gecasseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gecasseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gecasseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gecasseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gecasseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gecasseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gecasseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gecasseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gecasseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt casseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gecasseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gecasseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gecasseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen casseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen casseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen casseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen casseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gecasseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gecasseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gecasseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gecasseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gecasseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gecasseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gecasseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gecasseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gecasseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult casseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gecasseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gecasseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gecasseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘een vonnis vernietigen’ voor het eerst aangetroffen in 1290
Woordfamilie van casseren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| casseer | gebiedende wijs | casseren |
| casseerde | verleden tijd | casseren |
| casseerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | casseren |
| casseert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | casseren |
| cassere | aanvoegende wijs | casseren |
| casserend | onvoltooid deelwoord | casseren |
| casserende | woordvorm | casseren |
| gecasseerd | voltooid deelwoord | casseren |
| gecasseerde | woordvorm | casseren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van casseren zijn vastgelegd.