carpoolen
werkwoord /ˈkɑ:rpu:lən/Betekenis
- samen in één auto naar het werk rijden
Hoe spreek je carpoolen uit?
/ˈkɑrpulən/
Carpoolen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɑ | bad |
| r | rood |
| p | pak |
| u | boek |
| l | land |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van carpoolen
carpoolenhele werkwoord — carpooldeverleden tijd enkelvoud — carpooldenverleden tijd meervoud — gecarpooldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | carpool | carpoolde |
| jij | carpoolt | carpoolde |
| hij, zij, het | carpoolt | carpoolde |
| wij | carpoolen | carpoolden |
| jullie | carpoolen | carpoolden |
| zij | carpoolen | carpoolden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| carpool | gebiedende wijs |
| carpoolde | verleden tijd |
| carpoole | aanvoegende wijs |
| carpoolend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gecarpoold | verleden tijd, deelwoord |
| gecarpoold te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gecarpoold zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gecarpoold | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gecarpoold | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gecarpoold | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gecarpoold | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gecarpoold | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gecarpoold | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gecarpoold | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gecarpoold | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gecarpoold | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gecarpoold | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gecarpoold | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gecarpoold | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gecarpoold | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gecarpoold | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gecarpoold | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te carpoolen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gecarpoold | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen carpoolen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal carpoolen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal carpoolen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal carpoolen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gecarpoold hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gecarpoold hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gecarpoold hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou carpoolen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou carpoolen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou carpoolen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gecarpoold hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gecarpoold hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gecarpoold hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden carpoolen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden carpoolen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden carpoolen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gecarpoold hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gecarpoold hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gecarpoold hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt carpoolen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gecarpoold hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen carpoolen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen carpoolen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen carpoolen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen carpoolen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gecarpoold hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gecarpoold hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gecarpoold hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult carpoolen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gecarpoold hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordfamilie van carpoolen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| carpoolde | verleden tijd | carpoolen |
| carpoolden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | carpoolen |
| carpoole | aanvoegende wijs | carpoolen |
| carpoolend | onvoltooid deelwoord | carpoolen |
| carpoolende | woordvorm | carpoolen |
| carpoolt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | carpoolen |
| gecarpoold | voltooid deelwoord | carpoolen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van carpoolen zijn vastgelegd.