bunker
zelfstandig naamwoord, werkwoord 'bʏŋkərBetekenis
- uitgegraven en met beton zwaar versterkte verdedigingsstelling
- bergruimte voor steenkolen, zout of zand in een schip
- hindernis van zand op een golfbaan
Hoe spreek je bunker uit?
/ˈbʏŋkər/
Bunker bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ʏ | put |
| ŋ | ding |
| k | kat |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- bergruimte in een schip voor bijv. steenkolen, olie, zout of zand
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bunkers | meervoud |
| bunkertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bunkertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bunkeren
- gebiedende wijs van bunkeren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bunkeren
Vervoeging van bunker
bunkerhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels of Duits, in de betekenis van ‘verdedigingsstelling’ voor het eerst aangetroffen in 1940
Woordfamilie van bunker
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bunkers | meervoud | bunker |
| bunkertje | verkleinwoord | bunker |
| bunkertjes | verkleinwoord meervoud | bunker |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bunker zijn vastgelegd.