bungelen
werkwoord ˈbʏŋələ(n)Betekenis
- loshangend heen en weer zwaaien
- in onzekerheid verkeren
Hoe spreek je bungelen uit?
/ˈbʏŋələn/
Bungelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ʏ | put |
| ŋ | ding |
| ə | de |
| l | land |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van bungelen
bungelenhele werkwoord — bungeldeverleden tijd enkelvoud — bungeldenverleden tijd meervoud — gebungeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bungel | bungelde |
| jij | bungelt | bungelde |
| hij, zij, het | bungelt | bungelde |
| wij | bungelen | bungelden |
| jullie | bungelen | bungelden |
| zij | bungelen | bungelden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bungel | gebiedende wijs |
| bungelde | verleden tijd |
| bungele | aanvoegende wijs |
| bungelend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gebungeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gebungeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gebungeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gebungeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gebungeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gebungeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gebungeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gebungeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebungeld | verleden tijd, deelwoord |
| gebungeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebungeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebungeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebungeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebungeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebungeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebungeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebungeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebungeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebungeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebungeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebungeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebungeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebungeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebungeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebungeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebungeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bungelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebungeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bungelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal bungelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bungelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bungelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebungeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebungeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebungeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou bungelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bungelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bungelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebungeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebungeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebungeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bungelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bungelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bungelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebungeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebungeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebungeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt bungelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebungeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen bungelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bungelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bungelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bungelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebungeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebungeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebungeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult bungelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebungeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘slingeren’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1782
Woordfamilie van bungelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bungel | gebiedende wijs | bungelen |
| bungelde | verleden tijd | bungelen |
| bungelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bungelen |
| bungele | aanvoegende wijs | bungelen |
| bungelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bungelen |
| gebungeld | voltooid deelwoord | bungelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bungelen zijn vastgelegd.