bubbelen
werkwoordBetekenis
- het vormen van bubbels
- het vrijkomen en omhoog stijgen van bubbels en die aan het oppervlak van de vloeistof uiteenspatten
Vervoeging van bubbelen
bubbelenhele werkwoord — bubbeldeverleden tijd enkelvoud — bubbeldenverleden tijd meervoud — gebubbeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bubbel | bubbelde |
| jij | bubbelt | bubbelde |
| hij, zij, het | bubbelt | bubbelde |
| wij | bubbelen | bubbelden |
| jullie | bubbelen | bubbelden |
| zij | bubbelen | bubbelden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bubbel | gebiedende wijs |
| bubbelde | verleden tijd |
| bubbele | aanvoegende wijs |
| bubbelend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebubbeld | verleden tijd, deelwoord |
| gebubbeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebubbeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebubbeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebubbeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebubbeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebubbeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebubbeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebubbeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebubbeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebubbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebubbeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebubbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebubbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebubbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebubbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebubbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebubbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bubbelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebubbeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bubbelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal bubbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bubbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bubbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebubbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebubbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebubbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou bubbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bubbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bubbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebubbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebubbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebubbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bubbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bubbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bubbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebubbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebubbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebubbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt bubbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebubbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen bubbelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bubbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bubbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bubbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebubbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebubbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebubbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult bubbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebubbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van bubbel met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van bubbelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bubbelde | verleden tijd | bubbelen |
| bubbelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bubbelen |
| bubbele | aanvoegende wijs | bubbelen |
| bubbelend | onvoltooid deelwoord | bubbelen |
| bubbelende | woordvorm | bubbelen |
| bubbelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bubbelen |
| gebubbeld | voltooid deelwoord | bubbelen |
| gebubbelde | woordvorm | bubbelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bubbelen zijn vastgelegd.