bubbel
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈbʏbəlBetekenis
- luchtbel of gasbel, vaak opstijgend in een vloeistof
- omgeving waar maar één soort mensen, één soort mening voorkomt zonder beïnvloeding van buitenaf
- kleine kring van mensen die zich zoveel mogelijk tot onderling contact beperken, om de kans op besmetting bij een pandemie kleiner te maken
Hoe spreek je bubbel uit?
/ˈbʏbəl/
Bubbel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ʏ | put |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- kleine kring van mensen die zich zoveel mogelijk tot onderling contact beperken, om de kans op besmetting bij een pandemie kleiner te maken #:▸ Vanaf 8 juni krijgt iedereen de vrijheid om zijn persoonlijke bubbel uit te breiden naar tien personen, die wekelijks mag verschillen. figuratively
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bubbels | meervoud |
| bubbeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bubbeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bubbelen
- gebiedende wijs van bubbelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bubbelen
Vervoeging van bubbel
bubbelhele werkwoord
Herkomst
oorspronkelijk een uitspraakvariant van bobbel die zich onder invloed van Engels bubble zn verder ontwikkeld heeft
Woordfamilie van bubbel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bubbeltje | verkleinwoord | bubbel |
| bubbeltjes | verkleinwoord meervoud | bubbel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bubbel zijn vastgelegd.