Naar de inhoud

brandstichten

moedwillig brand veroorzaken

brandstichten

werkwoord /ˈbrɑnt.stɪx.tə(n)/

Betekenis

  1. moedwillig brand veroorzaken

Hoe spreek je brandstichten uit?

/ˈbrɑntstɪxtən/

Brandstichten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈbrɑntstɪxtən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
b bak
r rood
ɑ bad
n nek
t tak
s sok
ɪ pit
x acht
ə de
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van brandstichten

brandstichtenhele werkwoord — stichtte brandverleden tijd enkelvoud — stichtten brandverleden tijd meervoud — brandgestichtvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik sticht brand stichtte brand
jij sticht brand stichtte brand
hij, zij, het sticht brand stichtte brand
wij stichten brand stichtten brand
jullie stichten brand stichtten brand
zij stichten brand stichtten brand
Alle 73 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
brand te stichten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
brand te zullen stichten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
brand zal stichten bijzin, toekomende tijd
brand zou stichten bijzin, voorwaardelijk
brand zouden stichten bijzin, voorwaardelijk
brand zoudt stichten bijzin, voorwaardelijk
brand zullen stichten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
brand zullen stichten bijzin, toekomende tijd
brand zult stichten bijzin, toekomende tijd
brandgesticht verleden tijd, deelwoord
brandgesticht te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
brandgesticht zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
brandsticht bijzin, tegenwoordige tijd
brandstichtend onvoltooid, deelwoord
brandstichtte bijzin, verleden tijd
brandstichtten bijzin, verleden tijd
ev. gebiedende wijs
had brandgesticht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had brandgesticht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had brandgesticht voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden brandgesticht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden brandgesticht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden brandgesticht voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt brandgesticht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb brandgesticht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben brandgesticht actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben brandgesticht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben brandgesticht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben brandgesticht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt brandgesticht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft brandgesticht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft brandgesticht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
sticht brand gebiedende wijs
stichtte brand verleden tijd
te hebben brandgesticht actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen brandstichten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal brandgesticht hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal brandgesticht hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal brandgesticht hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal brandstichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal brandstichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal brandstichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal brandstichten bijzin, toekomende tijd
zou brandgesticht hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou brandgesticht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou brandgesticht hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou brandstichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou brandstichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou brandstichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou brandstichten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) brandstichten brand zou(dt) stichten bijzin, voorwaardelijk
zouden brandgesticht hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden brandgesticht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden brandgesticht hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden brandstichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden brandstichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden brandstichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden brandstichten bijzin, voorwaardelijk
zoudt brandgesticht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt brandstichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt brandstichten bijzin, voorwaardelijk
zullen brandgesticht hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen brandgesticht hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen brandgesticht hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen brandstichten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen brandstichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen brandstichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen brandstichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen brandstichten bijzin, toekomende tijd
zult brandgesticht hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult brandstichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult brandstichten bijzin, toekomende tijd
zult/zal brandstichten brand zult/zal stichten bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van brand en stichten

Woordfamilie van brandstichten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
brandgesticht voltooid deelwoord brandstichten
brandgestichte woordvorm brandstichten
brandsticht subordinate-clause, tegenwoordige tijd brandstichten
brandstichte with-subordinate-clause brandstichten
brandstichtend onvoltooid deelwoord brandstichten
brandstichtende woordvorm brandstichten
brandstichtte subordinate-clause, verleden tijd brandstichten
brandstichtten subordinate-clause, verleden tijd brandstichten
sticht brand gebiedende wijs brandstichten
stichte brand woordvorm brandstichten
stichten brand aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon brandstichten
stichtte brand verleden tijd brandstichten
stichtten brand aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon brandstichten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van brandstichten zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over brandstichten

Hoe spreek je brandstichten uit?
De uitspraak van brandstichten is: /ˈbrɑnt.stɪx.tə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent brandstichten?
Brandstichten is een werkwoord. Het woord betekent: moedwillig brand veroorzaken.
Hoe vervoeg je brandstichten?
Je vervoegt brandstichten als volgt: het voltooid deelwoord is brandgesticht. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord brandstichten is 27 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. R 2
  3. A 1
  4. N 1
  5. D 2
  6. S 2
  7. T 2
  8. I 1
  9. C 5
  10. H 4
  11. T 2
  12. E 1
  13. N 1
  14. 27 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

brandstichten levert met Wordfeud minimaal 29 en maximaal 117 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. R 2
  3. A 1
  4. N 1
  5. D 2
  6. S 2
  7. T 2
  8. I 2
  9. C 5
  10. H 4
  11. T 2
  12. E 1
  13. N 1
  14. 29 zonder bonus
  15. 117 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

brandstichten in het kort

brandstichten staat in dit woordenboek als werkwoord. Van brandstichten zijn 43 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort brandstichten bij een woordfamilie van 13 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

brandstichten: moedwillig brand veroorzaken
Deel brandstichten — standaardnederlands.nl