borstelen
werkwoordBetekenis
- schoonmaken met behulp van een borstel
Vervoeging van borstelen
borstelenhele werkwoord — borsteldeverleden tijd enkelvoud — borsteldenverleden tijd meervoud — geborsteldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | borstel | borstelde |
| jij | borstelt | borstelde |
| hij, zij, het | borstelt | borstelde |
| wij | borstelen | borstelden |
| jullie | borstelen | borstelden |
| zij | borstelen | borstelden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| borstel | gebiedende wijs |
| borstelde | verleden tijd |
| borstele | aanvoegende wijs |
| borstelend | onvoltooid, deelwoord |
| er is geborsteld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geborsteld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geborsteld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geborsteld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geborsteld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geborsteld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geborsteld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geborsteld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geborsteld | verleden tijd, deelwoord |
| geborsteld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geborsteld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geborsteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geborsteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geborsteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geborsteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geborsteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geborsteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geborsteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geborsteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geborsteld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geborsteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geborsteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geborsteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geborsteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geborsteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geborsteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te borstelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geborsteld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen borstelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal borstelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal borstelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal borstelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geborsteld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geborsteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geborsteld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou borstelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou borstelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou borstelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geborsteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geborsteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geborsteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden borstelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden borstelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden borstelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geborsteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geborsteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geborsteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt borstelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geborsteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen borstelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen borstelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen borstelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen borstelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geborsteld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geborsteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geborsteld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult borstelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geborsteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van borstel met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van borstelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| borstelde | verleden tijd | borstelen |
| borstelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | borstelen |
| borstele | aanvoegende wijs | borstelen |
| borstelend | onvoltooid deelwoord | borstelen |
| borstelende | woordvorm | borstelen |
| borstelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | borstelen |
| geborsteld | voltooid deelwoord | borstelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van borstelen zijn vastgelegd.