borstel
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈbɔrstəlBetekenis
- een gebruiksvoorwerp bestaande uit een bundel of bundels haren of vezels die in een houder of aan een blad van hout of een andere stof zijn vastgehecht
- grove kwast of op een bezem gelijkend gereedschap
- (België) verfkwast
Hoe spreek je borstel uit?
/ˈbɔrstəl/
Borstel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɔ | bot |
| r | rood |
| s | sok |
| t | tak |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- verfkwast
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| borstels | meervoud |
| borsteltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| borsteltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van borstelen
- gebiedende wijs van borstelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van borstelen
Vervoeging van borstel
borstelhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘stijve haren van varkens e.d.’ voor het eerst aangetroffen in 1287
Woordfamilie van borstel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| borstels | meervoud | borstel |
| borsteltje | verkleinwoord | borstel |
| borsteltjes | verkleinwoord meervoud | borstel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van borstel zijn vastgelegd.