borgtocht
zelfstandig naamwoord 'bɔrxtɔxtBetekenis
- (burgerlijk recht) een overeenkomst waarbij de borgsteller garant staat voor de schulden van de schuldenaar.
- (strafrecht) het voorlopig vrijlaten van een gevangene tegen storting van een borgsom
Hoe spreek je borgtocht uit?
/ˈbɔrxtɔxt/
Borgtocht bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɔ | bot |
| r | rood |
| x | acht |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- een overeenkomst waarbij de borgsteller garant staat voor de schulden van de schuldenaar.
- het voorlopig vrijlaten van een gevangene tegen storting van een borgsom
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| borgtochten | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘overeenkomst waarbij een borg zich garant stelt’ voor het eerst aangetroffen in 1282
Woordfamilie van borgtocht
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| borgtochten | meervoud | borgtocht |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van borgtocht zijn vastgelegd.