bootsen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈbotsə(n)Betekenis
- uit zacht materiaal vormgeven in drie dimensies, plastisch vormen
Hoe spreek je bootsen uit?
/ˈbotsən/
Bootsen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| o | boot |
| t | tak |
| s | sok |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van bootsen
bootsenhele werkwoord — bootsteverleden tijd enkelvoud — bootstenverleden tijd meervoud — gebootstvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | boots | bootste |
| jij | bootst | bootste |
| hij, zij, het | bootst | bootste |
| wij | bootsen | bootsten |
| jullie | bootsen | bootsten |
| zij | bootsen | bootsten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| boots | gebiedende wijs |
| bootse | aanvoegende wijs |
| bootsend | onvoltooid, deelwoord |
| bootste | verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebootst | verleden tijd, deelwoord |
| gebootst te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebootst zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebootst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebootst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebootst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebootst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebootst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebootst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebootst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebootst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebootst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebootst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebootst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebootst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebootst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebootst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebootst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bootsen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebootst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bootsen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal bootsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bootsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bootsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebootst hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebootst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebootst hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou bootsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bootsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bootsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebootst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebootst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebootst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bootsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bootsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bootsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebootst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebootst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebootst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt bootsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebootst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen bootsen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bootsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bootsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bootsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebootst hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebootst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebootst hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult bootsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebootst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord boots
Herkomst
van Oudfrans bocer "vormen"
Woordfamilie van bootsen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bootse | aanvoegende wijs | bootsen |
| bootsend | onvoltooid deelwoord | bootsen |
| bootsende | woordvorm | bootsen |
| bootst | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bootsen |
| bootste | verleden tijd | bootsen |
| bootsten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bootsen |
| gebootst | voltooid deelwoord | bootsen |
| gebootste | woordvorm | bootsen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bootsen zijn vastgelegd.