boorden
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- van een boord voorzien
Vervoeging van boorden
boordenhele werkwoord — boorddeverleden tijd enkelvoud — boorddenverleden tijd meervoud — geboordvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | boord | boordde |
| jij | boordt | boordde |
| hij, zij, het | boordt | boordde |
| wij | boorden | boordden |
| jullie | boorden | boordden |
| zij | boorden | boordden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geboord | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geboord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| boord | gebiedende wijs |
| boordde | verleden tijd |
| boorde | aanvoegende wijs |
| boordend | onvoltooid, deelwoord |
| er is geboord | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geboord | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geboord | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geboord | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geboord worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geboord zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geboord worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geboord zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geboord | verleden tijd, deelwoord |
| geboord te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geboord te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geboord te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geboord te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geboord te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geboord worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geboord zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geboord zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geboord zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geboord zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geboord | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geboord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geboord | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geboord | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geboord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geboord | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geboord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geboord | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geboord | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geboord | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geboord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geboord | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geboord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geboord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geboord | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geboord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geboord | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te boorden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geboord | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen boorden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geboord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geboord | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geboord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geboord | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geboord | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geboord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geboord | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geboord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geboord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geboord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geboord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geboord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geboord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geboord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geboord | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geboord | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geboord | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geboord | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geboord | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geboord | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal boorden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal boorden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal boorden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geboord hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geboord hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geboord hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geboord worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geboord worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geboord zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geboord zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn geboord | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geboord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geboord | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geboord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou boorden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou boorden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou boorden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geboord hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geboord hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geboord hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geboord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geboord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geboord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geboord zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geboord zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geboord zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden boorden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden boorden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden boorden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geboord hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geboord hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geboord hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geboord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geboord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geboord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geboord zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geboord zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geboord zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt boorden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geboord hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geboord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geboord zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen boorden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen boorden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen boorden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen boorden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geboord hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geboord hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geboord hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geboord worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geboord worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geboord worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geboord zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geboord zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geboord zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult boorden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geboord hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geboord worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geboord zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord boord
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van boren
Vervoeging van boorden
boordenhele werkwoord
Woordfamilie van boorden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| boordde | verleden tijd | boorden |
| boordden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | boorden |
| boordend | onvoltooid deelwoord | boorden |
| boordende | woordvorm | boorden |
| boordt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | boorden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van boorden zijn vastgelegd.