bonuskaart
zelfstandig naamwoord 'bonʏskartBetekenis
- een extra kaart die door een bepaalde uitkomst of gewonnen slag uit een stapel getrokken mag worden
- kaart waarmee vaste klanten gebruik kunnen maken van kortingsacties
Hoe spreek je bonuskaart uit?
/ˈbonʏskart/
Bonuskaart bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| o | boot |
| n | nek |
| ʏ | put |
| s | sok |
| k | kat |
| a | maan |
| r | rood |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bonuskaarten | meervoud |
| bonuskaartje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bonuskaartjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
[1] In de betekenis van “troefkaart”, aangetroffen in 1983, voor een vindplaats zie hieronder, in de betekenis van “klantenkaart”, voor het eerst aangetroffen in de jaren 1980.
Woordfamilie van bonuskaart
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bonuskaarten | meervoud | bonuskaart |
| bonuskaartje | verkleinwoord | bonuskaart |
| bonuskaartjes | verkleinwoord meervoud | bonuskaart |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bonuskaart zijn vastgelegd.