bobbelen
werkwoordBetekenis
- bobbels vertonen
Vervoeging van bobbelen
bobbelenhele werkwoord — bobbeldeverleden tijd enkelvoud — bobbeldenverleden tijd meervoud — gebobbeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bobbel | bobbelde |
| jij | bobbelt | bobbelde |
| hij, zij, het | bobbelt | bobbelde |
| wij | bobbelen | bobbelden |
| jullie | bobbelen | bobbelden |
| zij | bobbelen | bobbelden |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben gebobbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gebobbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bobbel | gebiedende wijs |
| bobbelde | verleden tijd |
| bobbele | aanvoegende wijs |
| bobbelend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebobbeld | verleden tijd, deelwoord |
| gebobbeld te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebobbeld zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| is gebobbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gebobbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bobbelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn gebobbeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bobbelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gebobbeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gebobbeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gebobbeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gebobbeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gebobbeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gebobbeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gebobbeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal bobbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bobbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bobbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebobbeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebobbeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebobbeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gebobbeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn gebobbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gebobbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gebobbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gebobbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou bobbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bobbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bobbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebobbeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebobbeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebobbeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bobbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bobbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bobbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebobbeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebobbeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebobbeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt bobbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebobbeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen bobbelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bobbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bobbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bobbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebobbeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebobbeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebobbeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult bobbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebobbeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van bobbel met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van bobbelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bobbelde | verleden tijd | bobbelen |
| bobbelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bobbelen |
| bobbele | aanvoegende wijs | bobbelen |
| bobbelend | onvoltooid deelwoord | bobbelen |
| bobbelende | woordvorm | bobbelen |
| bobbelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bobbelen |
| gebobbeld | voltooid deelwoord | bobbelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bobbelen zijn vastgelegd.