Naar de inhoud

bobbelen

bobbels vertonen

bobbelen

werkwoord

Betekenis

  1. bobbels vertonen

Vervoeging van bobbelen

bobbelenhele werkwoord — bobbeldeverleden tijd enkelvoud — bobbeldenverleden tijd meervoud — gebobbeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik bobbel bobbelde
jij bobbelt bobbelde
hij, zij, het bobbelt bobbelde
wij bobbelen bobbelden
jullie bobbelen bobbelden
zij bobbelen bobbelden
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben gebobbeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gebobbeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
bobbel gebiedende wijs
bobbelde verleden tijd
bobbele aanvoegende wijs
bobbelend onvoltooid, deelwoord
ev. gebiedende wijs
gebobbeld verleden tijd, deelwoord
gebobbeld te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gebobbeld zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
is gebobbeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gebobbeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te bobbelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zijn gebobbeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen bobbelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gebobbeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gebobbeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gebobbeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gebobbeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gebobbeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gebobbeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gebobbeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal bobbelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal bobbelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal bobbelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gebobbeld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gebobbeld zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gebobbeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn gebobbeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn gebobbeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gebobbeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gebobbeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gebobbeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou bobbelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou bobbelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou bobbelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gebobbeld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gebobbeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gebobbeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden bobbelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden bobbelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden bobbelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gebobbeld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gebobbeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gebobbeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt bobbelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gebobbeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen bobbelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen bobbelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen bobbelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen bobbelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gebobbeld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gebobbeld zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gebobbeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult bobbelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gebobbeld zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van bobbel met het achtervoegsel -en

Woordfamilie van bobbelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
bobbelde verleden tijd bobbelen
bobbelden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon bobbelen
bobbele aanvoegende wijs bobbelen
bobbelend onvoltooid deelwoord bobbelen
bobbelende woordvorm bobbelen
bobbelt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon bobbelen
gebobbeld voltooid deelwoord bobbelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bobbelen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over bobbelen

Wat is de betekenis van bobbelen?
Bobbelen is een werkwoord. De betekenis is: bobbels vertonen.
Hoe vervoeg ik bobbelen?
Zo vervoeg je bobbelen zo: de tegenwoordige tijd is bobbel, de verleden tijd is bobbelde en het voltooid deelwoord is gebobbeld. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord bobbelen is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. O 1
  3. B 3
  4. B 3
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

bobbelen levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. O 1
  3. B 4
  4. B 4
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 19 zonder bonus
  10. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

bobbelen in het kort

bobbelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van bobbelen staan er 33 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort bobbelen bij een woordfamilie van 7 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

bobbelen: bobbels vertonen
Deel bobbelen — standaardnederlands.nl