Naar de inhoud

blutsen

een bluts (deuk) slaan in

blutsen is meer dan één woord

blutsen

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. een bluts (deuk) slaan in

Vervoeging van blutsen

blutsenhele werkwoord — blutsteverleden tijd enkelvoud — blutstenverleden tijd meervoud — geblutstvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik bluts blutste
jij blutst blutste
hij, zij, het blutst blutste
wij blutsen blutsten
jullie blutsen blutsten
zij blutsen blutsten
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben geblutst voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geblutst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
bluts gebiedende wijs
blutse aanvoegende wijs
blutsend onvoltooid, deelwoord
blutste verleden tijd
er is geblutst impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geblutst impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geblutst impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geblutst impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geblutst worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geblutst zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geblutst worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geblutst zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geblutst verleden tijd, deelwoord
geblutst te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geblutst te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geblutst te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geblutst te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geblutst te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geblutst worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geblutst zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geblutst zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geblutst zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geblutst zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geblutst voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geblutst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geblutst voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geblutst voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geblutst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geblutst voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geblutst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geblutst voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geblutst actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geblutst voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geblutst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geblutst voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geblutst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geblutst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geblutst voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is geblutst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geblutst voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te blutsen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben geblutst actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen blutsen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart geblutst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geblutst voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geblutst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geblutst voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geblutst voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geblutst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geblutst voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geblutst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geblutst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geblutst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geblutst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geblutst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geblutst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geblutst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geblutst enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geblutst enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geblutst enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geblutst enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geblutst enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geblutst enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal blutsen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal blutsen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal blutsen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal geblutst hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geblutst hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geblutst hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geblutst worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geblutst worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geblutst zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geblutst zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn geblutst voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geblutst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geblutst voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geblutst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou blutsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou blutsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou blutsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou geblutst hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geblutst hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geblutst hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geblutst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geblutst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geblutst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geblutst zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geblutst zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geblutst zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden blutsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden blutsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden blutsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden geblutst hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geblutst hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geblutst hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geblutst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geblutst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geblutst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geblutst zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geblutst zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geblutst zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt blutsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt geblutst hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geblutst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geblutst zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen blutsen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen blutsen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen blutsen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen blutsen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen geblutst hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geblutst hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geblutst hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geblutst worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen geblutst worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen geblutst worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geblutst zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geblutst zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geblutst zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult blutsen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult geblutst hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geblutst worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geblutst zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord bluts

Herkomst

afgeleid van bluts met het achtervoegsel -en

Woordfamilie van blutsen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
blutse aanvoegende wijs blutsen
blutsend onvoltooid deelwoord blutsen
blutsende woordvorm blutsen
blutst aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon blutsen
blutste verleden tijd blutsen
blutsten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon blutsen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van blutsen zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over blutsen

Wat is de betekenis van blutsen?
Blutsen is een werkwoord. De betekenis is: een bluts (deuk) slaan in.
Hoe vervoeg ik blutsen?
Zo vervoeg je blutsen zo: de tegenwoordige tijd is bluts, de verleden tijd is blutste en het voltooid deelwoord is geblutst. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord blutsen is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. L 3
  3. U 4
  4. T 2
  5. S 2
  6. E 1
  7. N 1
  8. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

blutsen levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 109 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. L 3
  3. U 2
  4. T 2
  5. S 2
  6. E 1
  7. N 1
  8. 15 zonder bonus
  9. 109 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

blutsen telt 7 letters, waarvan 7 verschillende. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

blutsen in het kort

blutsen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Van blutsen staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort blutsen bij een woordfamilie van 6 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

blutsen: een bluts (deuk) slaan in
Deel blutsen — standaardnederlands.nl