blootliggen
werkwoordBetekenis
- open, zonder bedekking of isolatie liggen
Vervoeging van blootliggen
blootliggenhele werkwoord — lag blootverleden tijd enkelvoud — lagen blootverleden tijd meervoud — blootgelegenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | lig bloot | lag bloot |
| jij | ligt bloot | laagt bloot |
| hij, zij, het | ligt bloot | lag bloot |
| wij | liggen bloot | lagen bloot |
| jullie | liggen bloot | lagen bloot |
| zij | liggen bloot | lagen bloot |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bloot te liggen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bloot te zullen liggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bloot zal liggen | bijzin, toekomende tijd |
| bloot zou liggen | bijzin, voorwaardelijk |
| bloot zouden liggen | bijzin, voorwaardelijk |
| bloot zoudt liggen | bijzin, voorwaardelijk |
| bloot zullen liggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bloot zullen liggen | bijzin, toekomende tijd |
| bloot zult liggen | bijzin, toekomende tijd |
| blootgelegen | verleden tijd, deelwoord |
| blootgelegen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| blootgelegen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| blootlaagt | bijzin, verleden tijd |
| blootlag | bijzin, verleden tijd |
| blootlagen | bijzin, verleden tijd |
| blootlig | bijzin, tegenwoordige tijd |
| blootliggend | onvoltooid, deelwoord |
| blootligt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| had blootgelegen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had blootgelegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had blootgelegen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden blootgelegen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden blootgelegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden blootgelegen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt blootgelegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb blootgelegen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben blootgelegen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben blootgelegen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben blootgelegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben blootgelegen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt blootgelegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft blootgelegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft blootgelegen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| lag bloot | verleden tijd |
| lig bloot | gebiedende wijs |
| te hebben blootgelegen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen blootliggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal blootgelegen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal blootgelegen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal blootgelegen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal blootliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal blootliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal blootliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal blootliggen | bijzin, toekomende tijd |
| zou blootgelegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou blootgelegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou blootgelegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou blootliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou blootliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou blootliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou blootliggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) blootliggen bloot zou(dt) liggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden blootgelegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden blootgelegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden blootgelegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden blootliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden blootliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden blootliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden blootliggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt blootgelegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt blootliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt blootliggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen blootgelegen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen blootgelegen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen blootgelegen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen blootliggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen blootliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen blootliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen blootliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen blootliggen | bijzin, toekomende tijd |
| zult blootgelegen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult blootliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult blootliggen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal blootliggen bloot zult/zal liggen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van bloot en liggen
Woordfamilie van blootliggen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| blootgelegen | voltooid deelwoord | blootliggen |
| blootlag | subordinate-clause, verleden tijd | blootliggen |
| blootlagen | subordinate-clause, verleden tijd | blootliggen |
| blootlig | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | blootliggen |
| blootligge | with-subordinate-clause | blootliggen |
| blootliggend | onvoltooid deelwoord | blootliggen |
| blootliggende | woordvorm | blootliggen |
| blootligt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | blootliggen |
| lag bloot | verleden tijd | blootliggen |
| lagen bloot | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | blootliggen |
| lig bloot | gebiedende wijs | blootliggen |
| ligge bloot | woordvorm | blootliggen |
| liggen bloot | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | blootliggen |
| ligt bloot | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | blootliggen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van blootliggen zijn vastgelegd.