Naar de inhoud

blootliggen

open, zonder bedekking of isolatie liggen

blootliggen

werkwoord

Betekenis

  1. open, zonder bedekking of isolatie liggen

Vervoeging van blootliggen

blootliggenhele werkwoord — lag blootverleden tijd enkelvoud — lagen blootverleden tijd meervoud — blootgelegenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik lig bloot lag bloot
jij ligt bloot laagt bloot
hij, zij, het ligt bloot lag bloot
wij liggen bloot lagen bloot
jullie liggen bloot lagen bloot
zij liggen bloot lagen bloot
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
bloot te liggen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
bloot te zullen liggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
bloot zal liggen bijzin, toekomende tijd
bloot zou liggen bijzin, voorwaardelijk
bloot zouden liggen bijzin, voorwaardelijk
bloot zoudt liggen bijzin, voorwaardelijk
bloot zullen liggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
bloot zullen liggen bijzin, toekomende tijd
bloot zult liggen bijzin, toekomende tijd
blootgelegen verleden tijd, deelwoord
blootgelegen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
blootgelegen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
blootlaagt bijzin, verleden tijd
blootlag bijzin, verleden tijd
blootlagen bijzin, verleden tijd
blootlig bijzin, tegenwoordige tijd
blootliggend onvoltooid, deelwoord
blootligt bijzin, tegenwoordige tijd
ev. gebiedende wijs
had blootgelegen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had blootgelegen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had blootgelegen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden blootgelegen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden blootgelegen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden blootgelegen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt blootgelegen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb blootgelegen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben blootgelegen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben blootgelegen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben blootgelegen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben blootgelegen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt blootgelegen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft blootgelegen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft blootgelegen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
lag bloot verleden tijd
lig bloot gebiedende wijs
te hebben blootgelegen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen blootliggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal blootgelegen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal blootgelegen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal blootgelegen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal blootliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal blootliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal blootliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal blootliggen bijzin, toekomende tijd
zou blootgelegen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou blootgelegen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou blootgelegen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou blootliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou blootliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou blootliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou blootliggen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) blootliggen bloot zou(dt) liggen bijzin, voorwaardelijk
zouden blootgelegen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden blootgelegen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden blootgelegen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden blootliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden blootliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden blootliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden blootliggen bijzin, voorwaardelijk
zoudt blootgelegen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt blootliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt blootliggen bijzin, voorwaardelijk
zullen blootgelegen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen blootgelegen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen blootgelegen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen blootliggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen blootliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen blootliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen blootliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen blootliggen bijzin, toekomende tijd
zult blootgelegen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult blootliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult blootliggen bijzin, toekomende tijd
zult/zal blootliggen bloot zult/zal liggen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van bloot en liggen

Woordfamilie van blootliggen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
blootgelegen voltooid deelwoord blootliggen
blootlag subordinate-clause, verleden tijd blootliggen
blootlagen subordinate-clause, verleden tijd blootliggen
blootlig subordinate-clause, tegenwoordige tijd blootliggen
blootligge with-subordinate-clause blootliggen
blootliggend onvoltooid deelwoord blootliggen
blootliggende woordvorm blootliggen
blootligt subordinate-clause, tegenwoordige tijd blootliggen
lag bloot verleden tijd blootliggen
lagen bloot aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon blootliggen
lig bloot gebiedende wijs blootliggen
ligge bloot woordvorm blootliggen
liggen bloot aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon blootliggen
ligt bloot aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon blootliggen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van blootliggen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over blootliggen

Wat betekent blootliggen?
Blootliggen is een werkwoord. Het woord betekent: open, zonder bedekking of isolatie liggen.
Hoe vervoeg je blootliggen?
Je vervoegt blootliggen als volgt: het voltooid deelwoord is blootgelegen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord blootliggen is 22 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. L 3
  3. O 1
  4. O 1
  5. T 2
  6. L 3
  7. I 1
  8. G 3
  9. G 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 22 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

blootliggen levert met Wordfeud minimaal 24 en maximaal 96 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. L 3
  3. O 1
  4. O 1
  5. T 2
  6. L 3
  7. I 2
  8. G 3
  9. G 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 24 zonder bonus
  13. 96 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

blootliggen in het kort

blootliggen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van blootliggen zijn 47 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort blootliggen bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

blootliggen: open, zonder bedekking of isolatie liggen
Deel blootliggen — standaardnederlands.nl