blootleggen
werkwoord ˈblotlɛɣə(n)Betekenis
- de laag die iets bedekt wegnemen
- openbaar maken
Hoe spreek je blootleggen uit?
/ˈblotlɛxən/
Blootleggen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| l | land |
| o | boot |
| t | tak |
| ɛ | bed |
| x | acht |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van blootleggen
blootleggenhele werkwoord — legde blootverleden tijd enkelvoud — legden blootverleden tijd meervoud — blootgelegdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | leg bloot | legde bloot |
| jij | legt bloot | legde bloot |
| hij, zij, het | legt bloot | legde bloot |
| wij | leggen bloot | legden bloot |
| jullie | leggen bloot | legden bloot |
| zij | leggen bloot | legden bloot |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben blootgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent blootgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bloot te leggen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bloot te zullen leggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bloot zal leggen | bijzin, toekomende tijd |
| bloot zou leggen | bijzin, voorwaardelijk |
| bloot zouden leggen | bijzin, voorwaardelijk |
| bloot zoudt leggen | bijzin, voorwaardelijk |
| bloot zullen leggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bloot zullen leggen | bijzin, toekomende tijd |
| bloot zult leggen | bijzin, toekomende tijd |
| blootgelegd | verleden tijd, deelwoord |
| blootgelegd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| blootgelegd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| blootgelegd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| blootgelegd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| blootgelegd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| blootgelegd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| blootgelegd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| blootgelegd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| blootgelegd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| blootgelegd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| blootleg | bijzin, tegenwoordige tijd |
| blootlegde | bijzin, verleden tijd |
| blootlegden | bijzin, verleden tijd |
| blootleggend | onvoltooid, deelwoord |
| blootlegt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| er is blootgelegd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was blootgelegd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd blootgelegd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt blootgelegd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal blootgelegd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal blootgelegd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou blootgelegd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou blootgelegd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had blootgelegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had blootgelegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had blootgelegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden blootgelegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden blootgelegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden blootgelegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt blootgelegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb blootgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben blootgelegd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben blootgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben blootgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben blootgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt blootgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft blootgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft blootgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is blootgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is blootgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| leg bloot | gebiedende wijs |
| legde bloot | verleden tijd |
| te hebben blootgelegd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen blootleggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart blootgelegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren blootgelegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren blootgelegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren blootgelegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was blootgelegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was blootgelegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was blootgelegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd blootgelegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd blootgelegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd blootgelegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden blootgelegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden blootgelegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden blootgelegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt blootgelegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word blootgelegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden blootgelegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden blootgelegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden blootgelegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt blootgelegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt blootgelegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal blootgelegd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal blootgelegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal blootgelegd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal blootgelegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal blootgelegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal blootgelegd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal blootgelegd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal blootleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal blootleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal blootleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal blootleggen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn blootgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn blootgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn blootgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt blootgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou blootgelegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou blootgelegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou blootgelegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou blootgelegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou blootgelegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou blootgelegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou blootgelegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou blootgelegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou blootgelegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou blootleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou blootleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou blootleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou blootleggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) blootleggen bloot zou(dt) leggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden blootgelegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden blootgelegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden blootgelegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden blootgelegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden blootgelegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden blootgelegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden blootgelegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden blootgelegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden blootgelegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden blootleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden blootleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden blootleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden blootleggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt blootgelegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt blootgelegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt blootgelegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt blootleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt blootleggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen blootgelegd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen blootgelegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen blootgelegd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen blootgelegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen blootgelegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen blootgelegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen blootgelegd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen blootgelegd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen blootgelegd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen blootleggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen blootleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen blootleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen blootleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen blootleggen | bijzin, toekomende tijd |
| zult blootgelegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van bloot en leggen
Woordfamilie van blootleggen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| blootgelegd | voltooid deelwoord | blootleggen |
| blootgelegde | woordvorm | blootleggen |
| blootleg | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | blootleggen |
| blootlegde | subordinate-clause, verleden tijd | blootleggen |
| blootlegden | subordinate-clause, verleden tijd | blootleggen |
| blootlegge | with-subordinate-clause | blootleggen |
| blootleggend | onvoltooid deelwoord | blootleggen |
| blootleggende | woordvorm | blootleggen |
| blootlegt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | blootleggen |
| leg bloot | gebiedende wijs | blootleggen |
| legde bloot | verleden tijd | blootleggen |
| legden bloot | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | blootleggen |
| legge bloot | woordvorm | blootleggen |
| leggen bloot | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | blootleggen |
| legt bloot | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | blootleggen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van blootleggen zijn vastgelegd.