blakeren
werkwoordBetekenis
- het hout van een scheepswand blootstellen aan vuur om het te bevrijden van wormvraat
- oppervlakkig verkolen door blootstelling aan vuur
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van blakeren
blakerenhele werkwoord — blakerdeverleden tijd enkelvoud — blakerdenverleden tijd meervoud — geblakerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | blaker | blakerde |
| jij | blakert | blakerde |
| hij, zij, het | blakert | blakerde |
| wij | blakeren | blakerden |
| jullie | blakeren | blakerden |
| zij | blakeren | blakerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geblakerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geblakerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| blaker | gebiedende wijs |
| blakerde | verleden tijd |
| blakere | aanvoegende wijs |
| blakerend | onvoltooid, deelwoord |
| er is geblakerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geblakerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geblakerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geblakerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geblakerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geblakerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geblakerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geblakerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geblakerd | verleden tijd, deelwoord |
| geblakerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geblakerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geblakerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geblakerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geblakerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geblakerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geblakerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geblakerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geblakerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geblakerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geblakerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geblakerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geblakerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geblakerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geblakerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geblakerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geblakerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geblakerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geblakerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geblakerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geblakerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geblakerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geblakerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geblakerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geblakerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geblakerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geblakerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te blakeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geblakerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen blakeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geblakerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geblakerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geblakerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geblakerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geblakerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geblakerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geblakerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geblakerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geblakerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geblakerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geblakerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geblakerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geblakerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geblakerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geblakerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geblakerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geblakerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geblakerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geblakerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geblakerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal blakeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal blakeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal blakeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geblakerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geblakerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geblakerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geblakerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geblakerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geblakerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geblakerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn geblakerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geblakerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geblakerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geblakerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou blakeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou blakeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou blakeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geblakerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geblakerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geblakerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geblakerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geblakerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geblakerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geblakerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geblakerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geblakerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden blakeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden blakeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden blakeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geblakerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geblakerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geblakerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geblakerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geblakerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geblakerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geblakerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geblakerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geblakerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt blakeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geblakerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geblakerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geblakerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen blakeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen blakeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen blakeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen blakeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geblakerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geblakerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geblakerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geblakerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geblakerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geblakerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geblakerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geblakerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geblakerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult blakeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geblakerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geblakerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geblakerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘zengen’ voor het eerst aangetroffen in 1415
Woordfamilie van blakeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| blakerde | verleden tijd | blakeren |
| blakerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | blakeren |
| blakere | aanvoegende wijs | blakeren |
| blakerend | onvoltooid deelwoord | blakeren |
| blakerende | woordvorm | blakeren |
| blakert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | blakeren |
| geblakerd | voltooid deelwoord | blakeren |
| geblakerde | woordvorm | blakeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van blakeren zijn vastgelegd.