Naar de inhoud

binnentreden

in een afgesloten of begrensde ruimte gaan

binnentreden

werkwoord

Betekenis

  1. in een afgesloten of begrensde ruimte gaan

Vervoeging van binnentreden

binnentredenhele werkwoord — trad binnenverleden tijd enkelvoud — traden binnenverleden tijd meervoud — binnengetredenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik treed binnen trad binnen
jij treedt binnen trad binnen
hij, zij, het treedt binnen trad binnen
wij treden binnen traden binnen
jullie treden binnen traden binnen
zij treden binnen traden binnen
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben binnengetreden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent binnengetreden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
binnen te treden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
binnen te zullen treden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
binnen zal treden bijzin, toekomende tijd
binnen zou treden bijzin, voorwaardelijk
binnen zouden treden bijzin, voorwaardelijk
binnen zoudt treden bijzin, voorwaardelijk
binnen zullen treden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
binnen zullen treden bijzin, toekomende tijd
binnen zult treden bijzin, toekomende tijd
binnengetreden verleden tijd, deelwoord
binnengetreden te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
binnengetreden zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
binnentrad bijzin, verleden tijd
binnentraden bijzin, verleden tijd
binnentredend onvoltooid, deelwoord
binnentreed bijzin, tegenwoordige tijd
binnentreedt bijzin, tegenwoordige tijd
ev. gebiedende wijs
is binnengetreden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is binnengetreden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te zijn binnengetreden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen binnentreden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
trad binnen verleden tijd
treed binnen gebiedende wijs
waart binnengetreden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren binnengetreden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren binnengetreden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren binnengetreden voltooid, verleden tijd, derde persoon
was binnengetreden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was binnengetreden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was binnengetreden voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal binnengetreden zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal binnengetreden zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal binnengetreden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal binnentreden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal binnentreden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal binnentreden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal binnentreden bijzin, toekomende tijd
zijn binnengetreden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn binnengetreden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn binnengetreden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn binnengetreden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt binnengetreden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou binnengetreden zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou binnengetreden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou binnengetreden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou binnentreden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou binnentreden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou binnentreden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou binnentreden bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) binnentreden binnen zou(dt) treden bijzin, voorwaardelijk
zouden binnengetreden zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden binnengetreden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden binnengetreden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden binnentreden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden binnentreden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden binnentreden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden binnentreden bijzin, voorwaardelijk
zoudt binnengetreden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt binnentreden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt binnentreden bijzin, voorwaardelijk
zullen binnengetreden zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen binnengetreden zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen binnengetreden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen binnentreden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen binnentreden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen binnentreden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen binnentreden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen binnentreden bijzin, toekomende tijd
zult binnengetreden zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult binnentreden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult binnentreden bijzin, toekomende tijd
zult/zal binnentreden binnen zult/zal treden bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van binnen en treden

Woordfamilie van binnentreden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
binnengetreden voltooid deelwoord binnentreden
binnentrad subordinate-clause, verleden tijd binnentreden
binnentraden subordinate-clause, verleden tijd binnentreden
binnentrede with-subordinate-clause binnentreden
binnentredend onvoltooid deelwoord binnentreden
binnentredende woordvorm binnentreden
binnentreed subordinate-clause, tegenwoordige tijd binnentreden
binnentreedt subordinate-clause, tegenwoordige tijd binnentreden
trad binnen verleden tijd binnentreden
traden binnen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon binnentreden
trede binnen woordvorm binnentreden
treden binnen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon binnentreden
treed binnen gebiedende wijs binnentreden
treedt binnen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon binnentreden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van binnentreden zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over binnentreden

Wat betekent binnentreden?
Binnentreden is een werkwoord. Het woord betekent: in een afgesloten of begrensde ruimte gaan.
Hoe vervoeg je binnentreden?
Je vervoegt binnentreden als volgt: het voltooid deelwoord is binnengetreden. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord binnentreden is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. I 1
  3. N 1
  4. N 1
  5. E 1
  6. N 1
  7. T 2
  8. R 2
  9. E 1
  10. D 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

binnentreden levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. I 2
  3. N 1
  4. N 1
  5. E 1
  6. N 1
  7. T 2
  8. R 2
  9. E 1
  10. D 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 19 zonder bonus
  14. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

binnentreden in het kort

binnentreden staat in dit woordenboek als werkwoord. Van binnentreden zijn 46 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort binnentreden bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

binnentreden: in een afgesloten of begrensde ruimte gaan
Deel binnentreden — standaardnederlands.nl