binnentreden
werkwoordBetekenis
- in een afgesloten of begrensde ruimte gaan
Vervoeging van binnentreden
binnentredenhele werkwoord — trad binnenverleden tijd enkelvoud — traden binnenverleden tijd meervoud — binnengetredenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | treed binnen | trad binnen |
| jij | treedt binnen | trad binnen |
| hij, zij, het | treedt binnen | trad binnen |
| wij | treden binnen | traden binnen |
| jullie | treden binnen | traden binnen |
| zij | treden binnen | traden binnen |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben binnengetreden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent binnengetreden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| binnen te treden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| binnen te zullen treden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| binnen zal treden | bijzin, toekomende tijd |
| binnen zou treden | bijzin, voorwaardelijk |
| binnen zouden treden | bijzin, voorwaardelijk |
| binnen zoudt treden | bijzin, voorwaardelijk |
| binnen zullen treden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| binnen zullen treden | bijzin, toekomende tijd |
| binnen zult treden | bijzin, toekomende tijd |
| binnengetreden | verleden tijd, deelwoord |
| binnengetreden te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| binnengetreden zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| binnentrad | bijzin, verleden tijd |
| binnentraden | bijzin, verleden tijd |
| binnentredend | onvoltooid, deelwoord |
| binnentreed | bijzin, tegenwoordige tijd |
| binnentreedt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| is binnengetreden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is binnengetreden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zijn binnengetreden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen binnentreden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| trad binnen | verleden tijd |
| treed binnen | gebiedende wijs |
| waart binnengetreden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren binnengetreden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren binnengetreden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren binnengetreden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was binnengetreden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was binnengetreden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was binnengetreden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal binnengetreden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal binnengetreden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal binnengetreden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal binnentreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal binnentreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal binnentreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal binnentreden | bijzin, toekomende tijd |
| zijn binnengetreden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn binnengetreden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn binnengetreden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn binnengetreden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt binnengetreden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou binnengetreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou binnengetreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou binnengetreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou binnentreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou binnentreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou binnentreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou binnentreden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) binnentreden binnen zou(dt) treden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden binnengetreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden binnengetreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden binnengetreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden binnentreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden binnentreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden binnentreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden binnentreden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt binnengetreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt binnentreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt binnentreden | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen binnengetreden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen binnengetreden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen binnengetreden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen binnentreden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen binnentreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen binnentreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen binnentreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen binnentreden | bijzin, toekomende tijd |
| zult binnengetreden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult binnentreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult binnentreden | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal binnentreden binnen zult/zal treden | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van binnen en treden
Woordfamilie van binnentreden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| binnengetreden | voltooid deelwoord | binnentreden |
| binnentrad | subordinate-clause, verleden tijd | binnentreden |
| binnentraden | subordinate-clause, verleden tijd | binnentreden |
| binnentrede | with-subordinate-clause | binnentreden |
| binnentredend | onvoltooid deelwoord | binnentreden |
| binnentredende | woordvorm | binnentreden |
| binnentreed | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | binnentreden |
| binnentreedt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | binnentreden |
| trad binnen | verleden tijd | binnentreden |
| traden binnen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | binnentreden |
| trede binnen | woordvorm | binnentreden |
| treden binnen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | binnentreden |
| treed binnen | gebiedende wijs | binnentreden |
| treedt binnen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | binnentreden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van binnentreden zijn vastgelegd.