Naar de inhoud

binnenrijden

inrijden

binnenrijden

werkwoord

Betekenis

  1. inrijden

Vervoeging van binnenrijden

binnenrijdenhele werkwoord — reed binnenverleden tijd enkelvoud — reden binnenverleden tijd meervoud — binnengeredenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik rij binnen reed binnen
jij rijdt binnen reed binnen
hij, zij, het rijdt binnen reed binnen
wij rijden binnen reden binnen
jullie rijden binnen reden binnen
zij rijden binnen reden binnen
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben binnengereden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent binnengereden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
binnen te rijden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
binnen te zullen rijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
binnen zal rijden bijzin, toekomende tijd
binnen zou rijden bijzin, voorwaardelijk
binnen zouden rijden bijzin, voorwaardelijk
binnen zoudt rijden bijzin, voorwaardelijk
binnen zullen rijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
binnen zullen rijden bijzin, toekomende tijd
binnen zult rijden bijzin, toekomende tijd
binnengereden verleden tijd, deelwoord
binnengereden te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
binnengereden zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
binnenreden bijzin, verleden tijd
binnenreed bijzin, verleden tijd
binnenrij bijzin, tegenwoordige tijd
binnenrijd bijzin, tegenwoordige tijd
binnenrijdend onvoltooid, deelwoord
binnenrijdt bijzin, tegenwoordige tijd
ev. rij binnen/ rijd binnen gebiedende wijs
is binnengereden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is binnengereden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
reed binnen verleden tijd
te zijn binnengereden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen binnenrijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart binnengereden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren binnengereden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren binnengereden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren binnengereden voltooid, verleden tijd, derde persoon
was binnengereden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was binnengereden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was binnengereden voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal binnengereden zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal binnengereden zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal binnengereden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal binnenrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal binnenrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal binnenrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal binnenrijden bijzin, toekomende tijd
zijn binnengereden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn binnengereden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn binnengereden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn binnengereden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt binnengereden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou binnengereden zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou binnengereden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou binnengereden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou binnenrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou binnenrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou binnenrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou binnenrijden bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) binnenrijden binnen zou(dt) rijden bijzin, voorwaardelijk
zouden binnengereden zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden binnengereden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden binnengereden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden binnenrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden binnenrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden binnenrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden binnenrijden bijzin, voorwaardelijk
zoudt binnengereden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt binnenrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt binnenrijden bijzin, voorwaardelijk
zullen binnengereden zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen binnengereden zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen binnengereden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen binnenrijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen binnenrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen binnenrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen binnenrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen binnenrijden bijzin, toekomende tijd
zult binnengereden zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult binnenrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult binnenrijden bijzin, toekomende tijd
zult/zal binnenrijden binnen zult/zal rijden bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van binnen en rijden

Woordfamilie van binnenrijden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
binnengereden voltooid deelwoord binnenrijden
binnenreden subordinate-clause, verleden tijd binnenrijden
binnenreed subordinate-clause, verleden tijd binnenrijden
binnenrij subordinate-clause, tegenwoordige tijd binnenrijden
binnenrijd subordinate-clause, tegenwoordige tijd binnenrijden
binnenrijde with-subordinate-clause binnenrijden
binnenrijdend onvoltooid deelwoord binnenrijden
binnenrijdende woordvorm binnenrijden
binnenrijdt subordinate-clause, tegenwoordige tijd binnenrijden
reden binnen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon binnenrijden
reed binnen verleden tijd binnenrijden
rij binnen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 1e persoon binnenrijden
rijd binnen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 1e persoon binnenrijden
rijde binnen woordvorm binnenrijden
rijden binnen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon binnenrijden
rijdt binnen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon binnenrijden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van binnenrijden zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over binnenrijden

Wat is de betekenis van binnenrijden?
Binnenrijden is een werkwoord. De betekenis is: inrijden.
Hoe vervoeg ik binnenrijden?
Zo vervoeg je binnenrijden zo: het voltooid deelwoord is binnengereden. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord binnenrijden is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. I 1
  3. N 1
  4. N 1
  5. E 1
  6. N 1
  7. R 2
  8. I 1
  9. J 4
  10. D 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

binnenrijden levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 90 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. I 2
  3. N 1
  4. N 1
  5. E 1
  6. N 1
  7. R 2
  8. I 2
  9. J 4
  10. D 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 22 zonder bonus
  14. 90 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

binnenrijden in het kort

binnenrijden staat in dit woordenboek als werkwoord. Van binnenrijden staan er 48 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort binnenrijden bij een woordfamilie van 16 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

binnenrijden: inrijden
Deel binnenrijden — standaardnederlands.nl