binnenrijden
werkwoordBetekenis
- inrijden
Vervoeging van binnenrijden
binnenrijdenhele werkwoord — reed binnenverleden tijd enkelvoud — reden binnenverleden tijd meervoud — binnengeredenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | rij binnen | reed binnen |
| jij | rijdt binnen | reed binnen |
| hij, zij, het | rijdt binnen | reed binnen |
| wij | rijden binnen | reden binnen |
| jullie | rijden binnen | reden binnen |
| zij | rijden binnen | reden binnen |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben binnengereden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent binnengereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| binnen te rijden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| binnen te zullen rijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| binnen zal rijden | bijzin, toekomende tijd |
| binnen zou rijden | bijzin, voorwaardelijk |
| binnen zouden rijden | bijzin, voorwaardelijk |
| binnen zoudt rijden | bijzin, voorwaardelijk |
| binnen zullen rijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| binnen zullen rijden | bijzin, toekomende tijd |
| binnen zult rijden | bijzin, toekomende tijd |
| binnengereden | verleden tijd, deelwoord |
| binnengereden te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| binnengereden zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| binnenreden | bijzin, verleden tijd |
| binnenreed | bijzin, verleden tijd |
| binnenrij | bijzin, tegenwoordige tijd |
| binnenrijd | bijzin, tegenwoordige tijd |
| binnenrijdend | onvoltooid, deelwoord |
| binnenrijdt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ev. rij binnen/ rijd binnen | gebiedende wijs |
| is binnengereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is binnengereden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| reed binnen | verleden tijd |
| te zijn binnengereden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen binnenrijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart binnengereden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren binnengereden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren binnengereden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren binnengereden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was binnengereden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was binnengereden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was binnengereden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal binnengereden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal binnengereden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal binnengereden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal binnenrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal binnenrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal binnenrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal binnenrijden | bijzin, toekomende tijd |
| zijn binnengereden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn binnengereden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn binnengereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn binnengereden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt binnengereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou binnengereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou binnengereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou binnengereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou binnenrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou binnenrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou binnenrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou binnenrijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) binnenrijden binnen zou(dt) rijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden binnengereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden binnengereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden binnengereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden binnenrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden binnenrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden binnenrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden binnenrijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt binnengereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt binnenrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt binnenrijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen binnengereden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen binnengereden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen binnengereden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen binnenrijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen binnenrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen binnenrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen binnenrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen binnenrijden | bijzin, toekomende tijd |
| zult binnengereden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult binnenrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult binnenrijden | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal binnenrijden binnen zult/zal rijden | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van binnen en rijden
Woordfamilie van binnenrijden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| binnengereden | voltooid deelwoord | binnenrijden |
| binnenreden | subordinate-clause, verleden tijd | binnenrijden |
| binnenreed | subordinate-clause, verleden tijd | binnenrijden |
| binnenrij | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | binnenrijden |
| binnenrijd | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | binnenrijden |
| binnenrijde | with-subordinate-clause | binnenrijden |
| binnenrijdend | onvoltooid deelwoord | binnenrijden |
| binnenrijdende | woordvorm | binnenrijden |
| binnenrijdt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | binnenrijden |
| reden binnen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | binnenrijden |
| reed binnen | verleden tijd | binnenrijden |
| rij binnen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 1e persoon | binnenrijden |
| rijd binnen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 1e persoon | binnenrijden |
| rijde binnen | woordvorm | binnenrijden |
| rijden binnen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | binnenrijden |
| rijdt binnen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | binnenrijden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van binnenrijden zijn vastgelegd.