binnenlopen
werkwoordBetekenis
- te voet binnengaan
- een haven invaren
Vervoeging van binnenlopen
binnenlopenhele werkwoord — liep binnenverleden tijd enkelvoud — liepen binnenverleden tijd meervoud — binnengelopenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | loop binnen | liep binnen |
| jij | loopt binnen | liep binnen |
| hij, zij, het | loopt binnen | liep binnen |
| wij | lopen binnen | liepen binnen |
| jullie | lopen binnen | liepen binnen |
| zij | lopen binnen | liepen binnen |
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben binnengelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent binnengelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| binnen te lopen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| binnen te zullen lopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| binnen zal lopen | bijzin, toekomende tijd |
| binnen zou lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| binnen zouden lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| binnen zoudt lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| binnen zullen lopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| binnen zullen lopen | bijzin, toekomende tijd |
| binnen zult lopen | bijzin, toekomende tijd |
| binnengelopen | verleden tijd, deelwoord |
| binnengelopen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| binnengelopen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| binnenliep | bijzin, verleden tijd |
| binnenliepen | bijzin, verleden tijd |
| binnenliept | bijzin, verleden tijd |
| binnenloop | bijzin, tegenwoordige tijd |
| binnenloopt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| binnenlopend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| is binnengelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is binnengelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| liep binnen | verleden tijd |
| loop binnen | gebiedende wijs |
| te zijn binnengelopen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen binnenlopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart binnengelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren binnengelopen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren binnengelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren binnengelopen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was binnengelopen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was binnengelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was binnengelopen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal binnengelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal binnengelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal binnengelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal binnenlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal binnenlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal binnenlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal binnenlopen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn binnengelopen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn binnengelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn binnengelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn binnengelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt binnengelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou binnengelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou binnengelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou binnengelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou binnenlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou binnenlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou binnenlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou binnenlopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) binnenlopen binnen zou(dt) lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden binnengelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden binnengelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden binnengelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden binnenlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden binnenlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden binnenlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden binnenlopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt binnengelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt binnenlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt binnenlopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen binnengelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen binnengelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen binnengelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen binnenlopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen binnenlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen binnenlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen binnenlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen binnenlopen | bijzin, toekomende tijd |
| zult binnengelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult binnenlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult binnenlopen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal binnenlopen binnen zult/zal lopen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van binnen en lopen
Woordfamilie van binnenlopen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| binnengelopen | voltooid deelwoord | binnenlopen |
| binnenliep | subordinate-clause, verleden tijd | binnenlopen |
| binnenliepen | subordinate-clause, verleden tijd | binnenlopen |
| binnenliept | subordinate-clause, verleden tijd | binnenlopen |
| binnenloop | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | binnenlopen |
| binnenloopt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | binnenlopen |
| binnenlope | with-subordinate-clause | binnenlopen |
| binnenlopend | onvoltooid deelwoord | binnenlopen |
| binnenlopende | woordvorm | binnenlopen |
| liep binnen | verleden tijd | binnenlopen |
| liepen binnen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | binnenlopen |
| liept binnen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | binnenlopen |
| loop binnen | gebiedende wijs | binnenlopen |
| loopt binnen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | binnenlopen |
| lope binnen | woordvorm | binnenlopen |
| lopen binnen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | binnenlopen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van binnenlopen zijn vastgelegd.