binnenbreken
werkwoordBetekenis
- inbreken
Vervoeging van binnenbreken
binnenbrekenhele werkwoord — brak binnenverleden tijd enkelvoud — braken binnenverleden tijd meervoud — binnengebrokenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | breek binnen | brak binnen |
| jij | breekt binnen | braakt binnen |
| hij, zij, het | breekt binnen | brak binnen |
| wij | breken binnen | braken binnen |
| jullie | breken binnen | braken binnen |
| zij | breken binnen | braken binnen |
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben binnengebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent binnengebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| binnen te breken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| binnen te zullen breken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| binnen zal breken | bijzin, toekomende tijd |
| binnen zou breken | bijzin, voorwaardelijk |
| binnen zouden breken | bijzin, voorwaardelijk |
| binnen zoudt breken | bijzin, voorwaardelijk |
| binnen zullen breken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| binnen zullen breken | bijzin, toekomende tijd |
| binnen zult breken | bijzin, toekomende tijd |
| binnenbraakt | bijzin, verleden tijd |
| binnenbrak | bijzin, verleden tijd |
| binnenbraken | bijzin, verleden tijd |
| binnenbreek | bijzin, tegenwoordige tijd |
| binnenbreekt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| binnenbrekend | onvoltooid, deelwoord |
| binnengebroken | verleden tijd, deelwoord |
| binnengebroken te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| binnengebroken te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| binnengebroken te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| binnengebroken te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| binnengebroken te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| binnengebroken worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| binnengebroken zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| binnengebroken zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| binnengebroken zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| binnengebroken zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| brak binnen | verleden tijd |
| breek binnen | gebiedende wijs |
| er is binnengebroken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was binnengebroken | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd binnengebroken | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt binnengebroken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal binnengebroken worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal binnengebroken zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou binnengebroken worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou binnengebroken zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had binnengebroken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had binnengebroken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had binnengebroken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden binnengebroken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden binnengebroken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden binnengebroken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt binnengebroken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb binnengebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben binnengebroken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben binnengebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben binnengebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben binnengebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt binnengebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft binnengebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft binnengebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is binnengebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is binnengebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben binnengebroken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen binnenbreken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart binnengebroken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren binnengebroken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren binnengebroken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren binnengebroken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was binnengebroken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was binnengebroken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was binnengebroken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd binnengebroken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd binnengebroken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd binnengebroken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden binnengebroken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden binnengebroken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden binnengebroken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt binnengebroken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word binnengebroken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden binnengebroken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden binnengebroken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden binnengebroken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt binnengebroken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt binnengebroken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal binnenbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal binnenbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal binnenbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal binnenbreken | bijzin, toekomende tijd |
| zal binnengebroken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal binnengebroken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal binnengebroken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal binnengebroken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal binnengebroken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal binnengebroken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal binnengebroken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn binnengebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn binnengebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn binnengebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt binnengebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou binnenbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou binnenbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou binnenbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou binnenbreken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou binnengebroken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou binnengebroken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou binnengebroken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou binnengebroken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou binnengebroken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou binnengebroken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou binnengebroken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou binnengebroken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou binnengebroken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) binnenbreken binnen zou(dt) breken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden binnenbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden binnenbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden binnenbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden binnenbreken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden binnengebroken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden binnengebroken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden binnengebroken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden binnengebroken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden binnengebroken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden binnengebroken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden binnengebroken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden binnengebroken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden binnengebroken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt binnenbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt binnenbreken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt binnengebroken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt binnengebroken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt binnengebroken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen binnenbreken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen binnenbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen binnenbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen binnenbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen binnenbreken | bijzin, toekomende tijd |
| zullen binnengebroken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen binnengebroken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen binnengebroken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen binnengebroken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen binnengebroken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen binnengebroken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen binnengebroken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen binnengebroken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen binnengebroken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
Herkomst
samenstelling van binnen en breken
Woordfamilie van binnenbreken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| binnenbrak | subordinate-clause, verleden tijd | binnenbreken |
| binnenbraken | subordinate-clause, verleden tijd | binnenbreken |
| binnenbreek | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | binnenbreken |
| binnenbreekt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | binnenbreken |
| binnenbreke | with-subordinate-clause | binnenbreken |
| binnenbrekend | onvoltooid deelwoord | binnenbreken |
| binnenbrekende | woordvorm | binnenbreken |
| binnengebroken | voltooid deelwoord | binnenbreken |
| brak binnen | verleden tijd | binnenbreken |
| braken binnen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | binnenbreken |
| breek binnen | gebiedende wijs | binnenbreken |
| breekt binnen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | binnenbreken |
| breke binnen | woordvorm | binnenbreken |
| breken binnen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | binnenbreken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van binnenbreken zijn vastgelegd.