binnenblijven
werkwoordBetekenis
- de buitenwereld niet betreden
Vervoeging van binnenblijven
binnenblijvenhele werkwoord — bleef binnenverleden tijd enkelvoud — bleven binnenverleden tijd meervoud — binnengeblevenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | blijf binnen | bleef binnen |
| jij | blijft binnen | bleef binnen |
| hij, zij, het | blijft binnen | bleef binnen |
| wij | blijven binnen | bleven binnen |
| jullie | blijven binnen | bleven binnen |
| zij | blijven binnen | bleven binnen |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| binnen te blijven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| binnen te zullen blijven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| binnen zal blijven | bijzin, toekomende tijd |
| binnen zou blijven | bijzin, voorwaardelijk |
| binnen zouden blijven | bijzin, voorwaardelijk |
| binnen zoudt blijven | bijzin, voorwaardelijk |
| binnen zullen blijven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| binnen zullen blijven | bijzin, toekomende tijd |
| binnen zult blijven | bijzin, toekomende tijd |
| binnenbleef | bijzin, verleden tijd |
| binnenbleven | bijzin, verleden tijd |
| binnenblijf | bijzin, tegenwoordige tijd |
| binnenblijft | bijzin, tegenwoordige tijd |
| binnenblijvend | onvoltooid, deelwoord |
| binnengebleven | verleden tijd, deelwoord |
| binnengebleven te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| binnengebleven zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bleef binnen | verleden tijd |
| blijf binnen | gebiedende wijs |
| ev. | gebiedende wijs |
| had binnengebleven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had binnengebleven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had binnengebleven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden binnengebleven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden binnengebleven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden binnengebleven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt binnengebleven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb binnengebleven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben binnengebleven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben binnengebleven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben binnengebleven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben binnengebleven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt binnengebleven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft binnengebleven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft binnengebleven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben binnengebleven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen binnenblijven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal binnenblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal binnenblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal binnenblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal binnenblijven | bijzin, toekomende tijd |
| zal binnengebleven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal binnengebleven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal binnengebleven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou binnenblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou binnenblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou binnenblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou binnenblijven | bijzin, voorwaardelijk |
| zou binnengebleven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou binnengebleven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou binnengebleven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) binnenblijven binnen zou(dt) blijven | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden binnenblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden binnenblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden binnenblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden binnenblijven | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden binnengebleven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden binnengebleven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden binnengebleven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt binnenblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt binnenblijven | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt binnengebleven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen binnenblijven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen binnenblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen binnenblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen binnenblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen binnenblijven | bijzin, toekomende tijd |
| zullen binnengebleven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen binnengebleven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen binnengebleven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult binnenblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult binnenblijven | bijzin, toekomende tijd |
| zult binnengebleven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal binnenblijven binnen zult/zal blijven | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van binnen en blijven
Woordfamilie van binnenblijven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| binnenbleef | subordinate-clause, verleden tijd | binnenblijven |
| binnenbleven | subordinate-clause, verleden tijd | binnenblijven |
| binnenblijf | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | binnenblijven |
| binnenblijft | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | binnenblijven |
| binnenblijve | with-subordinate-clause | binnenblijven |
| binnenblijvend | onvoltooid deelwoord | binnenblijven |
| binnenblijvende | woordvorm | binnenblijven |
| binnengebleven | voltooid deelwoord | binnenblijven |
| bleef binnen | verleden tijd | binnenblijven |
| bleven binnen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | binnenblijven |
| blijf binnen | gebiedende wijs | binnenblijven |
| blijft binnen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | binnenblijven |
| blijve binnen | woordvorm | binnenblijven |
| blijven binnen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | binnenblijven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van binnenblijven zijn vastgelegd.