bikkel
zelfstandig naamwoord, werkwoord 'bɪkəlBetekenis
- een klein klompje hard materiaal, meestal in de vorm van een botje dat gebruikt wordt om op te gooien in het bikkelspel
- overdrachtelijk iets erg hards
- een persoon met heel veel doorzettingsvermogen, iemand die heel stoer is
- {{quote-book
Hoe spreek je bikkel uit?
/ˈbɪkəl/
Bikkel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɪ | pit |
| k | kat |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bikkels | meervoud |
| bikkeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bikkeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bikkelen
- gebiedende wijs van bikkelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bikkelen
Vervoeging van bikkel
bikkelhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘pikhouweel’ voor het eerst aangetroffen in 1567
Woordfamilie van bikkel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bikkels | meervoud | bikkel |
| bikkeltje | verkleinwoord | bikkel |
| bikkeltjes | verkleinwoord meervoud | bikkel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bikkel zijn vastgelegd.