Naar de inhoud

bijzitten

bij iemand zitten of gaan zitten

bijzitten is meer dan één woord

bijzitten

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. bij iemand zitten of gaan zitten

Vervoeging van bijzitten

bijzittenhele werkwoord — zat bijverleden tijd enkelvoud — zaten bijverleden tijd meervoud — bijgezetenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zit bij zat bij
jij zit bij zat bij
hij, zij, het zit bij zat bij
wij zitten bij zaten bij
jullie zitten bij zaten bij
zij zitten bij zaten bij
Alle 73 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
bij te zitten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
bij te zullen zitten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
bij zal zitten bijzin, toekomende tijd
bij zou zitten bijzin, voorwaardelijk
bij zouden zitten bijzin, voorwaardelijk
bij zoudt zitten bijzin, voorwaardelijk
bij zullen zitten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
bij zullen zitten bijzin, toekomende tijd
bij zult zitten bijzin, toekomende tijd
bijgezeten verleden tijd, deelwoord
bijgezeten te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
bijgezeten zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
bijzat bijzin, verleden tijd
bijzaten bijzin, verleden tijd
bijzit bijzin, tegenwoordige tijd
bijzittend onvoltooid, deelwoord
ev. gebiedende wijs
had bijgezeten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had bijgezeten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had bijgezeten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden bijgezeten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden bijgezeten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden bijgezeten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt bijgezeten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb bijgezeten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben bijgezeten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben bijgezeten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben bijgezeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben bijgezeten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt bijgezeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft bijgezeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft bijgezeten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben bijgezeten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen bijzitten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal bijgezeten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal bijgezeten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal bijgezeten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal bijzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal bijzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal bijzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal bijzitten bijzin, toekomende tijd
zat bij verleden tijd
zit bij gebiedende wijs
zou bijgezeten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou bijgezeten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou bijgezeten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou bijzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou bijzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou bijzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou bijzitten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) bijzitten bij zou(dt) zitten bijzin, voorwaardelijk
zouden bijgezeten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden bijgezeten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden bijgezeten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden bijzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden bijzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden bijzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden bijzitten bijzin, voorwaardelijk
zoudt bijgezeten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt bijzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt bijzitten bijzin, voorwaardelijk
zullen bijgezeten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen bijgezeten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen bijgezeten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen bijzitten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen bijzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen bijzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen bijzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen bijzitten bijzin, toekomende tijd
zult bijgezeten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult bijzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult bijzitten bijzin, toekomende tijd
zult/zal bijzitten bij zult/zal zitten bijzin, toekomende tijd

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord bijzit

Herkomst

samenstelling van bij en zitten

Woordfamilie van bijzitten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
bijgezeten voltooid deelwoord bijzitten
bijzat subordinate-clause, verleden tijd bijzitten
bijzaten subordinate-clause, verleden tijd bijzitten
bijzitte with-subordinate-clause bijzitten
bijzittend onvoltooid deelwoord bijzitten
bijzittende woordvorm bijzitten
zat bij verleden tijd bijzitten
zaten bij aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon bijzitten
zit bij gebiedende wijs bijzitten
zitte bij woordvorm bijzitten
zitten bij aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon bijzitten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bijzitten zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over bijzitten

Wat betekent bijzitten?
Bijzitten is een werkwoord. Het woord betekent: bij iemand zitten of gaan zitten.
Hoe vervoeg je bijzitten?
Je vervoegt bijzitten als volgt: het voltooid deelwoord is bijgezeten. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord bijzitten is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. I 1
  3. J 4
  4. Z 4
  5. I 1
  6. T 2
  7. T 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

bijzitten levert met Wordfeud minimaal 23 en maximaal 99 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. I 2
  3. J 4
  4. Z 5
  5. I 2
  6. T 2
  7. T 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 23 zonder bonus
  11. 99 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

bijzitten in het kort

bijzitten is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Van bijzitten zijn 43 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort bijzitten bij een woordfamilie van 11 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

bijzitten: bij iemand zitten of gaan zitten
Deel bijzitten — standaardnederlands.nl