Naar de inhoud

bijtrekken

door te trekken iets toevoegen

bijtrekken

werkwoord

Betekenis

  1. door te trekken iets toevoegen
  2. geleidelijk nog wat minder erg worden
  3. tweede betekenisomschrijving
  4. enz.

Vervoeging van bijtrekken

bijtrekkenhele werkwoord — trok bijverleden tijd enkelvoud — trokken bijverleden tijd meervoud — bijgetrokkenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik trek bij trok bij
jij trekt bij trok bij
hij, zij, het trekt bij trok bij
wij trekken bij trokken bij
jullie trekken bij trokken bij
zij trekken bij trokken bij
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben bijgetrokken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent bijgetrokken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
bij te trekken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
bij te zullen trekken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
bij zal trekken bijzin, toekomende tijd
bij zou trekken bijzin, voorwaardelijk
bij zouden trekken bijzin, voorwaardelijk
bij zoudt trekken bijzin, voorwaardelijk
bij zullen trekken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
bij zullen trekken bijzin, toekomende tijd
bij zult trekken bijzin, toekomende tijd
bijgetrokken verleden tijd, deelwoord
bijgetrokken te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
bijgetrokken te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
bijgetrokken te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
bijgetrokken te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
bijgetrokken te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
bijgetrokken worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
bijgetrokken zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
bijgetrokken zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
bijgetrokken zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
bijgetrokken zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
bijtrek bijzin, tegenwoordige tijd
bijtrekkend onvoltooid, deelwoord
bijtrekt bijzin, tegenwoordige tijd
bijtrok bijzin, verleden tijd
bijtrokken bijzin, verleden tijd
er is bijgetrokken impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was bijgetrokken impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd bijgetrokken impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt bijgetrokken impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal bijgetrokken worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal bijgetrokken zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou bijgetrokken worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou bijgetrokken zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had bijgetrokken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had bijgetrokken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had bijgetrokken voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden bijgetrokken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden bijgetrokken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden bijgetrokken voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt bijgetrokken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb bijgetrokken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben bijgetrokken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben bijgetrokken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben bijgetrokken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben bijgetrokken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt bijgetrokken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft bijgetrokken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft bijgetrokken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is bijgetrokken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is bijgetrokken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben bijgetrokken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen bijtrekken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
trek bij gebiedende wijs
trok bij verleden tijd
waart bijgetrokken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren bijgetrokken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren bijgetrokken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren bijgetrokken voltooid, verleden tijd, derde persoon
was bijgetrokken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was bijgetrokken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was bijgetrokken voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd bijgetrokken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd bijgetrokken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd bijgetrokken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden bijgetrokken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden bijgetrokken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden bijgetrokken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt bijgetrokken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word bijgetrokken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden bijgetrokken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden bijgetrokken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden bijgetrokken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt bijgetrokken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt bijgetrokken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal bijgetrokken hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal bijgetrokken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal bijgetrokken hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal bijgetrokken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal bijgetrokken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal bijgetrokken zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal bijgetrokken zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal bijtrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal bijtrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal bijtrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal bijtrekken bijzin, toekomende tijd
zijn bijgetrokken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn bijgetrokken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn bijgetrokken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt bijgetrokken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou bijgetrokken hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou bijgetrokken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou bijgetrokken hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou bijgetrokken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou bijgetrokken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou bijgetrokken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou bijgetrokken zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou bijgetrokken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou bijgetrokken zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou bijtrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou bijtrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou bijtrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou bijtrekken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) bijtrekken bij zou(dt) trekken bijzin, voorwaardelijk
zouden bijgetrokken hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden bijgetrokken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden bijgetrokken hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden bijgetrokken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden bijgetrokken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden bijgetrokken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden bijgetrokken zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden bijgetrokken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden bijgetrokken zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden bijtrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden bijtrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden bijtrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden bijtrekken bijzin, voorwaardelijk
zoudt bijgetrokken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt bijgetrokken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt bijgetrokken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt bijtrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt bijtrekken bijzin, voorwaardelijk
zullen bijgetrokken hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen bijgetrokken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen bijgetrokken hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen bijgetrokken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen bijgetrokken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen bijgetrokken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen bijgetrokken zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen bijgetrokken zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen bijgetrokken zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen bijtrekken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen bijtrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen bijtrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen bijtrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen bijtrekken bijzin, toekomende tijd
zult bijgetrokken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van bij en trekken

Woordfamilie van bijtrekken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
bijgetrokken voltooid deelwoord bijtrekken
bijtrek subordinate-clause, tegenwoordige tijd bijtrekken
bijtrekke with-subordinate-clause bijtrekken
bijtrekkend onvoltooid deelwoord bijtrekken
bijtrekkende woordvorm bijtrekken
bijtrekt subordinate-clause, tegenwoordige tijd bijtrekken
bijtrok subordinate-clause, verleden tijd bijtrekken
bijtrokken subordinate-clause, verleden tijd bijtrekken
trek bij gebiedende wijs bijtrekken
trekke bij woordvorm bijtrekken
trekken bij aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon bijtrekken
trekt bij aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon bijtrekken
trok bij verleden tijd bijtrekken
trokken bij aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon bijtrekken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bijtrekken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over bijtrekken

Wat is de betekenis van bijtrekken?
Bijtrekken is een werkwoord. De betekenis is: door te trekken iets toevoegen. In totaal staan er 4 betekenissen.
Hoe vervoeg ik bijtrekken?
Zo vervoeg je bijtrekken zo: het voltooid deelwoord is bijgetrokken. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord bijtrekken is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. I 1
  3. J 4
  4. T 2
  5. R 2
  6. E 1
  7. K 3
  8. K 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

bijtrekken levert met Wordfeud minimaal 23 en maximaal 93 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. I 2
  3. J 4
  4. T 2
  5. R 2
  6. E 1
  7. K 3
  8. K 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 23 zonder bonus
  12. 93 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

bijtrekken in het kort

bijtrekken staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 4 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van bijtrekken staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort bijtrekken bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

bijtrekken: door te trekken iets toevoegen
Deel bijtrekken — standaardnederlands.nl