Naar de inhoud

bijleggen

toevoegen, het ontbrekende bijbetalen

bijleggen

werkwoord

Betekenis

  1. toevoegen, het ontbrekende bijbetalen
  2. meningsverschil of ruzie oplossen

Vervoeging van bijleggen

bijleggenhele werkwoord — legde bijverleden tijd enkelvoud — legden bijverleden tijd meervoud — bijgelegdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik leg bij legde bij
jij legt bij legde bij
hij, zij, het legt bij legde bij
wij leggen bij legden bij
jullie leggen bij legden bij
zij leggen bij legden bij
Alle 82 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
bij te leggen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
bij te zullen leggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
bij zal leggen bijzin, toekomende tijd
bij zou leggen bijzin, voorwaardelijk
bij zouden leggen bijzin, voorwaardelijk
bij zoudt leggen bijzin, voorwaardelijk
bij zullen leggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
bij zullen leggen bijzin, toekomende tijd
bij zult leggen bijzin, toekomende tijd
bijgelegd verleden tijd, deelwoord
bijgelegd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
bijgelegd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
bijleg bijzin, tegenwoordige tijd
bijlegde bijzin, verleden tijd
bijlegden bijzin, verleden tijd
bijleggend onvoltooid, deelwoord
bijlegt bijzin, tegenwoordige tijd
er is bijgelegd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was bijgelegd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd bijgelegd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt bijgelegd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal bijgelegd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal bijgelegd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou bijgelegd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou bijgelegd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had bijgelegd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had bijgelegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had bijgelegd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden bijgelegd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden bijgelegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden bijgelegd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt bijgelegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb bijgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben bijgelegd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben bijgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben bijgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben bijgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt bijgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft bijgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft bijgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
leg bij gebiedende wijs
legde bij verleden tijd
te hebben bijgelegd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen bijleggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal bijgelegd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal bijgelegd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal bijgelegd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal bijleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal bijleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal bijleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal bijleggen bijzin, toekomende tijd
zou bijgelegd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou bijgelegd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou bijgelegd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou bijleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou bijleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou bijleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou bijleggen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) bijleggen bij zou(dt) leggen bijzin, voorwaardelijk
zouden bijgelegd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden bijgelegd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden bijgelegd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden bijleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden bijleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden bijleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden bijleggen bijzin, voorwaardelijk
zoudt bijgelegd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt bijleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt bijleggen bijzin, voorwaardelijk
zullen bijgelegd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen bijgelegd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen bijgelegd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen bijleggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen bijleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen bijleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen bijleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen bijleggen bijzin, toekomende tijd
zult bijgelegd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult bijleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult bijleggen bijzin, toekomende tijd
zult/zal bijleggen bij zult/zal leggen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van bij en leggen

Woordfamilie van bijleggen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
bijgelegd voltooid deelwoord bijleggen
bijgelegde woordvorm bijleggen
bijleg subordinate-clause, tegenwoordige tijd bijleggen
bijlegde subordinate-clause, verleden tijd bijleggen
bijlegden subordinate-clause, verleden tijd bijleggen
bijlegge with-subordinate-clause bijleggen
bijleggend onvoltooid deelwoord bijleggen
bijleggende woordvorm bijleggen
bijlegt subordinate-clause, tegenwoordige tijd bijleggen
leg bij gebiedende wijs bijleggen
legde bij verleden tijd bijleggen
legden bij aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon bijleggen
legge bij woordvorm bijleggen
leggen bij aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon bijleggen
legt bij aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon bijleggen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bijleggen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over bijleggen

Wat betekent bijleggen?
Bijleggen is een werkwoord. Het woord betekent: toevoegen, het ontbrekende bijbetalen. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je bijleggen?
Je vervoegt bijleggen als volgt: het voltooid deelwoord is bijgelegd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord bijleggen is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. I 1
  3. J 4
  4. L 3
  5. E 1
  6. G 3
  7. G 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

bijleggen levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 90 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. I 2
  3. J 4
  4. L 3
  5. E 1
  6. G 3
  7. G 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 22 zonder bonus
  11. 90 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

bijleggen in het kort

bijleggen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van bijleggen zijn 53 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort bijleggen bij een woordfamilie van 15 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

bijleggen: toevoegen, het ontbrekende bijbetalen
Deel bijleggen — standaardnederlands.nl