bijleggen
werkwoordBetekenis
- toevoegen, het ontbrekende bijbetalen
- meningsverschil of ruzie oplossen
Vervoeging van bijleggen
bijleggenhele werkwoord — legde bijverleden tijd enkelvoud — legden bijverleden tijd meervoud — bijgelegdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | leg bij | legde bij |
| jij | legt bij | legde bij |
| hij, zij, het | legt bij | legde bij |
| wij | leggen bij | legden bij |
| jullie | leggen bij | legden bij |
| zij | leggen bij | legden bij |
Alle 82 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bij te leggen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bij te zullen leggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bij zal leggen | bijzin, toekomende tijd |
| bij zou leggen | bijzin, voorwaardelijk |
| bij zouden leggen | bijzin, voorwaardelijk |
| bij zoudt leggen | bijzin, voorwaardelijk |
| bij zullen leggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bij zullen leggen | bijzin, toekomende tijd |
| bij zult leggen | bijzin, toekomende tijd |
| bijgelegd | verleden tijd, deelwoord |
| bijgelegd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bijgelegd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bijleg | bijzin, tegenwoordige tijd |
| bijlegde | bijzin, verleden tijd |
| bijlegden | bijzin, verleden tijd |
| bijleggend | onvoltooid, deelwoord |
| bijlegt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| er is bijgelegd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was bijgelegd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd bijgelegd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt bijgelegd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal bijgelegd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal bijgelegd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou bijgelegd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou bijgelegd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had bijgelegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had bijgelegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had bijgelegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden bijgelegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden bijgelegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden bijgelegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt bijgelegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb bijgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bijgelegd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben bijgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bijgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben bijgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt bijgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bijgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bijgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| leg bij | gebiedende wijs |
| legde bij | verleden tijd |
| te hebben bijgelegd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bijleggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal bijgelegd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bijgelegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal bijgelegd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal bijleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bijleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bijleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal bijleggen | bijzin, toekomende tijd |
| zou bijgelegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bijgelegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bijgelegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou bijleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bijleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bijleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou bijleggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) bijleggen bij zou(dt) leggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden bijgelegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bijgelegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bijgelegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bijleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bijleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bijleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden bijleggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt bijgelegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bijleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt bijleggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen bijgelegd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bijgelegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bijgelegd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bijleggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bijleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bijleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bijleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen bijleggen | bijzin, toekomende tijd |
| zult bijgelegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult bijleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult bijleggen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal bijleggen bij zult/zal leggen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van bij en leggen
Woordfamilie van bijleggen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bijgelegd | voltooid deelwoord | bijleggen |
| bijgelegde | woordvorm | bijleggen |
| bijleg | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | bijleggen |
| bijlegde | subordinate-clause, verleden tijd | bijleggen |
| bijlegden | subordinate-clause, verleden tijd | bijleggen |
| bijlegge | with-subordinate-clause | bijleggen |
| bijleggend | onvoltooid deelwoord | bijleggen |
| bijleggende | woordvorm | bijleggen |
| bijlegt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | bijleggen |
| leg bij | gebiedende wijs | bijleggen |
| legde bij | verleden tijd | bijleggen |
| legden bij | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bijleggen |
| legge bij | woordvorm | bijleggen |
| leggen bij | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | bijleggen |
| legt bij | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bijleggen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bijleggen zijn vastgelegd.