bijeenbinden
werkwoordBetekenis
- samenbinden
Vervoeging van bijeenbinden
bijeenbindenhele werkwoord — bond bijeenverleden tijd enkelvoud — bonden bijeenverleden tijd meervoud — bijeengebondenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bind bijeen | bond bijeen |
| jij | bindt bijeen | bond bijeen |
| hij, zij, het | bindt bijeen | bond bijeen |
| wij | binden bijeen | bonden bijeen |
| jullie | binden bijeen | bonden bijeen |
| zij | binden bijeen | bonden bijeen |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bijeen te binden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bijeen te zullen binden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bijeen zal binden | bijzin, toekomende tijd |
| bijeen zou binden | bijzin, voorwaardelijk |
| bijeen zouden binden | bijzin, voorwaardelijk |
| bijeen zoudt binden | bijzin, voorwaardelijk |
| bijeen zullen binden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bijeen zullen binden | bijzin, toekomende tijd |
| bijeen zult binden | bijzin, toekomende tijd |
| bijeenbind | bijzin, tegenwoordige tijd |
| bijeenbindend | onvoltooid, deelwoord |
| bijeenbindt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| bijeenbond | bijzin, verleden tijd |
| bijeenbonden | bijzin, verleden tijd |
| bijeengebonden | verleden tijd, deelwoord |
| bijeengebonden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bijeengebonden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bind bijeen | gebiedende wijs |
| bond bijeen | verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| had bijeengebonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had bijeengebonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had bijeengebonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden bijeengebonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden bijeengebonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden bijeengebonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt bijeengebonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb bijeengebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bijeengebonden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben bijeengebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bijeengebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben bijeengebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt bijeengebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bijeengebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bijeengebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben bijeengebonden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bijeenbinden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal bijeenbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bijeenbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bijeenbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal bijeenbinden | bijzin, toekomende tijd |
| zal bijeengebonden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bijeengebonden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal bijeengebonden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou bijeenbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bijeenbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bijeenbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou bijeenbinden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou bijeengebonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bijeengebonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bijeengebonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) bijeenbinden bijeen zou(dt) binden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden bijeenbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bijeenbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bijeenbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden bijeenbinden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden bijeengebonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bijeengebonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bijeengebonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt bijeenbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt bijeenbinden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt bijeengebonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen bijeenbinden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bijeenbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bijeenbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bijeenbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen bijeenbinden | bijzin, toekomende tijd |
| zullen bijeengebonden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bijeengebonden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bijeengebonden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult bijeenbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult bijeenbinden | bijzin, toekomende tijd |
| zult bijeengebonden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal bijeenbinden bijeen zult/zal binden | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van bijeen en binden
Woordfamilie van bijeenbinden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bijeenbind | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | bijeenbinden |
| bijeenbinde | with-subordinate-clause | bijeenbinden |
| bijeenbindend | onvoltooid deelwoord | bijeenbinden |
| bijeenbindende | woordvorm | bijeenbinden |
| bijeenbindt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | bijeenbinden |
| bijeenbond | subordinate-clause, verleden tijd | bijeenbinden |
| bijeenbonden | subordinate-clause, verleden tijd | bijeenbinden |
| bijeengebonden | voltooid deelwoord | bijeenbinden |
| bind bijeen | gebiedende wijs | bijeenbinden |
| binde bijeen | woordvorm | bijeenbinden |
| binden bijeen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | bijeenbinden |
| bindt bijeen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bijeenbinden |
| bond bijeen | verleden tijd | bijeenbinden |
| bonden bijeen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bijeenbinden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bijeenbinden zijn vastgelegd.