Naar de inhoud

bijeenbinden

samenbinden

bijeenbinden

werkwoord

Betekenis

  1. samenbinden

Vervoeging van bijeenbinden

bijeenbindenhele werkwoord — bond bijeenverleden tijd enkelvoud — bonden bijeenverleden tijd meervoud — bijeengebondenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik bind bijeen bond bijeen
jij bindt bijeen bond bijeen
hij, zij, het bindt bijeen bond bijeen
wij binden bijeen bonden bijeen
jullie binden bijeen bonden bijeen
zij binden bijeen bonden bijeen
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
bijeen te binden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
bijeen te zullen binden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
bijeen zal binden bijzin, toekomende tijd
bijeen zou binden bijzin, voorwaardelijk
bijeen zouden binden bijzin, voorwaardelijk
bijeen zoudt binden bijzin, voorwaardelijk
bijeen zullen binden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
bijeen zullen binden bijzin, toekomende tijd
bijeen zult binden bijzin, toekomende tijd
bijeenbind bijzin, tegenwoordige tijd
bijeenbindend onvoltooid, deelwoord
bijeenbindt bijzin, tegenwoordige tijd
bijeenbond bijzin, verleden tijd
bijeenbonden bijzin, verleden tijd
bijeengebonden verleden tijd, deelwoord
bijeengebonden te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
bijeengebonden zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
bind bijeen gebiedende wijs
bond bijeen verleden tijd
ev. gebiedende wijs
had bijeengebonden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had bijeengebonden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had bijeengebonden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden bijeengebonden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden bijeengebonden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden bijeengebonden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt bijeengebonden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb bijeengebonden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben bijeengebonden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben bijeengebonden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben bijeengebonden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben bijeengebonden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt bijeengebonden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft bijeengebonden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft bijeengebonden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben bijeengebonden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen bijeenbinden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal bijeenbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal bijeenbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal bijeenbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal bijeenbinden bijzin, toekomende tijd
zal bijeengebonden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal bijeengebonden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal bijeengebonden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou bijeenbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou bijeenbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou bijeenbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou bijeenbinden bijzin, voorwaardelijk
zou bijeengebonden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou bijeengebonden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou bijeengebonden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) bijeenbinden bijeen zou(dt) binden bijzin, voorwaardelijk
zouden bijeenbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden bijeenbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden bijeenbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden bijeenbinden bijzin, voorwaardelijk
zouden bijeengebonden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden bijeengebonden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden bijeengebonden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt bijeenbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt bijeenbinden bijzin, voorwaardelijk
zoudt bijeengebonden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen bijeenbinden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen bijeenbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen bijeenbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen bijeenbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen bijeenbinden bijzin, toekomende tijd
zullen bijeengebonden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen bijeengebonden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen bijeengebonden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult bijeenbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult bijeenbinden bijzin, toekomende tijd
zult bijeengebonden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult/zal bijeenbinden bijeen zult/zal binden bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van bijeen en binden

Woordfamilie van bijeenbinden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
bijeenbind subordinate-clause, tegenwoordige tijd bijeenbinden
bijeenbinde with-subordinate-clause bijeenbinden
bijeenbindend onvoltooid deelwoord bijeenbinden
bijeenbindende woordvorm bijeenbinden
bijeenbindt subordinate-clause, tegenwoordige tijd bijeenbinden
bijeenbond subordinate-clause, verleden tijd bijeenbinden
bijeenbonden subordinate-clause, verleden tijd bijeenbinden
bijeengebonden voltooid deelwoord bijeenbinden
bind bijeen gebiedende wijs bijeenbinden
binde bijeen woordvorm bijeenbinden
binden bijeen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon bijeenbinden
bindt bijeen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon bijeenbinden
bond bijeen verleden tijd bijeenbinden
bonden bijeen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon bijeenbinden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bijeenbinden zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over bijeenbinden

Wat is de betekenis van bijeenbinden?
Bijeenbinden is een werkwoord. De betekenis is: samenbinden.
Hoe vervoeg ik bijeenbinden?
Zo vervoeg je bijeenbinden zo: het voltooid deelwoord is bijeengebonden. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord bijeenbinden is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. I 1
  3. J 4
  4. E 1
  5. E 1
  6. N 1
  7. B 3
  8. I 1
  9. N 1
  10. D 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

bijeenbinden levert met Wordfeud minimaal 24 en maximaal 96 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. I 2
  3. J 4
  4. E 1
  5. E 1
  6. N 1
  7. B 4
  8. I 2
  9. N 1
  10. D 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 24 zonder bonus
  14. 96 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

bijeenbinden in het kort

bijeenbinden staat in dit woordenboek als werkwoord. Van bijeenbinden staan er 45 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort bijeenbinden bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

bijeenbinden: samenbinden
Deel bijeenbinden — standaardnederlands.nl