biechten
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- het belijden van de eigen zonden aan een priester, zodat deze de zonden in naam van Jezus vergeeft
- het belijden van de eigen morele misstappen
Vervoeging van biechten
biechtenhele werkwoord — biechtteverleden tijd enkelvoud — biechttenverleden tijd meervoud — gebiechtvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | biecht | biechtte |
| jij | biecht | biechtte |
| hij, zij, het | biecht | biechtte |
| wij | biechten | biechtten |
| jullie | biechten | biechtten |
| zij | biechten | biechtten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| biecht | gebiedende wijs |
| biechte | aanvoegende wijs |
| biechtend | onvoltooid, deelwoord |
| biechtte | verleden tijd |
| er is gebiecht | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gebiecht | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gebiecht | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gebiecht | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gebiecht worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gebiecht zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gebiecht worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gebiecht zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebiecht | verleden tijd, deelwoord |
| gebiecht te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebiecht zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebiecht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebiecht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebiecht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebiecht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebiecht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebiecht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebiecht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebiecht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebiecht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebiecht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebiecht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebiecht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebiecht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebiecht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebiecht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te biechten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebiecht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen biechten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal biechten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal biechten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal biechten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebiecht hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebiecht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebiecht hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou biechten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou biechten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou biechten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebiecht hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebiecht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebiecht hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden biechten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden biechten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden biechten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebiecht hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebiecht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebiecht hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt biechten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebiecht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen biechten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen biechten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen biechten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen biechten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebiecht hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebiecht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebiecht hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult biechten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebiecht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord biecht
Herkomst
afgeleid van biecht met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van biechten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| biechte | aanvoegende wijs | biechten |
| biechtend | onvoltooid deelwoord | biechten |
| biechtende | woordvorm | biechten |
| biechtte | verleden tijd | biechten |
| biechtten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | biechten |
| gebiecht | voltooid deelwoord | biechten |
| gebiechte | woordvorm | biechten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van biechten zijn vastgelegd.