bezwangeren
werkwoord bəˈzwɑŋərə(n)Betekenis
- zorgen dat een vrouw of vrouwtjesdier bevrucht wordt
- opvattingen bezorgen die zich later gaan openbaren
Hoe spreek je bezwangeren uit?
/bəˈzwɑŋərən/
Bezwangeren bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ə | de |
| z | zon |
| w | quiz |
| ɑ | bad |
| ŋ | ding |
| r | rood |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van bezwangeren
bezwangerenhele werkwoord — bezwangerdeverleden tijd enkelvoud — bezwangerdenverleden tijd meervoud — bezwangerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bezwanger | bezwangerde |
| jij | bezwangert | bezwangerde |
| hij, zij, het | bezwangert | bezwangerde |
| wij | bezwangeren | bezwangerden |
| jullie | bezwangeren | bezwangerden |
| zij | bezwangeren | bezwangerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bezwanger | gebiedende wijs |
| bezwangerd | verleden tijd, deelwoord |
| bezwangerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bezwangerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bezwangerde | verleden tijd |
| bezwangere | aanvoegende wijs |
| bezwangerend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| had bezwangerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had bezwangerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had bezwangerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden bezwangerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden bezwangerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden bezwangerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt bezwangerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb bezwangerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bezwangerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben bezwangerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bezwangerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben bezwangerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt bezwangerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bezwangerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bezwangerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bezwangeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben bezwangerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bezwangeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal bezwangerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bezwangerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal bezwangerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal bezwangeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bezwangeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bezwangeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou bezwangerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bezwangerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bezwangerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou bezwangeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bezwangeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bezwangeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden bezwangerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bezwangerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bezwangerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bezwangeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bezwangeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bezwangeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt bezwangerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bezwangeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen bezwangerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bezwangerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bezwangerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bezwangeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bezwangeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bezwangeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bezwangeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult bezwangerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult bezwangeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van zwanger bn met het voorvoegsel be- en met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van bezwangeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bezwanger | gebiedende wijs | bezwangeren |
| bezwangerd | voltooid deelwoord | bezwangeren |
| bezwangerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bezwangeren |
| bezwangere | aanvoegende wijs | bezwangeren |
| bezwangerend | onvoltooid deelwoord | bezwangeren |
| bezwangerende | woordvorm | bezwangeren |
| bezwangert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bezwangeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bezwangeren zijn vastgelegd.